Present Simple & Present Continuous
(gebruik je om te praten over het heden)
Present Simple
Gebruik je om te zeggen dat iets altijd, nooit, herhaaldelijk of regelmatig gebeurt. -> I eat an apple every day.
-> Tim doesn't eat apples.
Present Continuous
Gebruik je om te zeggen dat iets NU bezig is. ( -ing vorm)
-> I am watching TV right now. -> She isn't watching TV.