Exercice 2b
1 é l è v e
2 c o u r s
3 p r o f
4 c o l l è g e
5 c a n t i n e
1 Het woord in de grijze kolom: école / ecole
2 Betekent: school
Exercice 2c
Lundi, mardi, mercredi, jeudi, vendredi, samedi, dimanche
Exercice 3
1 On a des devoirs?
2 Vous avez les notes?
3 C’est quand le contrôle?
4 On travaille en silence.
Exercice 6a
2 aller à l’école – le bus, want met de bus kun je naar school gaan.
3 la matière – l’anglais, want Engels is een schoolvak.
4 aujourd’hui – le jeudi, want beide woorden geven een dag aan.
Exercice 6b
17 ans lycée terminale 6e / zesde klas /
6e klas / zesde / examenklas / eindexamenklas middelbare school
16 ans première (1re) 5e / vijfde klas /
5e klas / vijfde
15 ans seconde (2de) 4e / vierde klas /
4e klas/ vierde
14 ans collège troisième (3e) 3e / derde klas /
3e klas / derde
13 ans quatrième (4e) 2e klas / tweede klas / 2e / tweede
12 ans cinquième (5e) 1e klas
11 ans sixième (6e) groep 8 basisschool