Schakelingen

H4.3. Schakelingen B1HV cco
1 / 40
suivant
Slide 1: Diapositive
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

Cette leçon contient 40 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

H4.3. Schakelingen B1HV cco

Slide 1 - Diapositive

Vorige lessen...

Slide 2 - Diapositive

Slide 3 - Vidéo

Stroomsterkte
Grootheid: Stroomsterkte
Symbool grootheid: I
Eenheid: A (ampère)

Slide 4 - Diapositive

Spanning
Grootheid: Spanning
Symbool grootheid:
Eenheid: V (Volt)

Slide 5 - Diapositive

H4.3 schakelingen

Schakelschema's

Serieschakelingen

Parallelschakelingen


Slide 6 - Diapositive

4.3.1 Je kunt twaalf symbolen voor onderdelen in schakelschema’s herkennen en tekenen.
4.3.2 Je kunt het verschil uitleggen tussen een parallelschakeling en een serieschakeling.
4.3.3 Je kunt het schakelschema tekenen van eenvoudige serie- en parallelschakelingen.
4.3.4 Je kunt uitleggen waarom elektrische apparaten bijna altijd parallel geschakeld worden.
4.3.5 Je kunt de grootte van de stroomsterkte beredeneren in een schakeling.
Leerdoelen H4.3

Slide 7 - Diapositive

Schakelschema
Overzichtelijke tekening van een schakeling, weergegeven met symbolen.

Slide 8 - Diapositive

Slide 9 - Diapositive

Slide 10 - Diapositive

Slide 11 - Diapositive

Slide 12 - Diapositive

Welk component hoort bij dit symbool?
A
Snoer
B
Batterij
C
Schakelaar
D
Lampje

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Diapositive

Slide 15 - Diapositive

Welke component hoort bij dit symbool?
A
led
B
schakelaar
C
motor
D
bel

Slide 16 - Quiz

Slide 17 - Diapositive

Op welke plek moet
je een schakelaar plaatsen
om lampje 1,2 en 3 uit te
zetten
A
A
B
B
C
E
D
I

Slide 18 - Quiz

Op welke plek moet
je een schakelaar plaatsen
om lampje 2 en 3 uit te
zetten
A
B
B
C
C
D
D
L

Slide 19 - Quiz

Op welke plek moet
je een schakelaar plaatsen
om lampje 1 uit te
zetten
A
A
B
B
C
L
D
K

Slide 20 - Quiz

Vorige les

Slide 21 - Diapositive

Slide 22 - Question de remorquage

Je kunt uitleggen wat spanning is en hoe je de spanning meet.
Je kunt het verschil tussen stroomsterkte en spanning uitleggen.
Spanning 
  • Spanning kan begrepen worden door het te zien als de 'kracht' waarmee de stroom door de draad 'geduwd' wordt.

  • Om spanning te krijgen, heb je een spanningsbron nodig.

  • De eenheid van spanning in Volt (V). 



Slide 23 - Diapositive

Je kunt uitleggen wat spanning is en hoe je de spanning meet.
Je kunt het verschil tussen stroomsterkte en spanning uitleggen.
Spanning 
  • Spanning kan begrepen worden door het te zien als de 'kracht' waarmee de stroom door de draad 'geduwd' wordt.

  • Om spanning te krijgen, heb je een spanningsbron nodig.

  • De eenheid van spanning in Volt (V). 



Slide 24 - Diapositive

Je kunt uitleggen wat spanning is en hoe je de spanning meet.
Je kunt het verschil tussen stroomsterkte en spanning uitleggen.
Stroomsterkte
  • Stroomsterkte geeft aan hoeveel deeltjes er in één seconde op een bepaalde plek in de stroomkring voorbij komen.

  • De eenheid van stroomsterkte is Ampère (A).


Slide 25 - Diapositive

Je kunt uitleggen wat spanning is en hoe je de spanning meet.
Je kunt het verschil tussen stroomsterkte en spanning uitleggen.
Spanning 
  • Spanning kan begrepen worden door het te zien als de 'kracht' waarmee de stroom door de draad 'geduwd' wordt
  • De eenheid van spanning in Volt (V). 




Stroomsterkte
  • Stroomsterkte geeft aan hoeveel deeltjes er in één seconde op een bepaalde plek in de stroomkring voorbij komen.
  • De eenheid van stroomsterkte is Ampère (A).


Slide 26 - Diapositive

Serieschakelingen

Slide 27 - Diapositive

Serieschakeling

Slide 28 - Diapositive

Kenmerken serieschakeling
- geen vertakkingen
- 1 stroomkring
- als 1 onderdeel kapot gaat, valt alles uit
- stroomsterkte (A) overal even groot
-bronspanning (Volt) wordt verdeeld.

Slide 29 - Diapositive

Parallelschakelingen

Slide 30 - Diapositive

Kenmerken parallelschakeling
- wel vertakkingen
- elke vertakking is een aparte stroomkring
- elk apparaat apart aan of uit doen
- de stroom wordt verdeeld over alle takken
- totale stroomsterkte = stroomsterkte in onvertakte delen



Slide 31 - Diapositive

Gemengde schakeling

Slide 32 - Diapositive

Dit is een...
A
Serieschakeling
B
Parallelschakeling
C
Gemengde schakeling

Slide 33 - Quiz

Een stroommeter schakel je in serie in de schakeling
A
waar
B
niet waar

Slide 34 - Quiz

Wat is waar
A
Allen de stroommeter is goed aangesloten
B
Alleen de spanningsmeter is goed aangesloten
C
Beide meters zijn goed aangesloten

Slide 35 - Quiz

Wat voor schakeling is dit?
A
serie schakeling
B
paralel schakeling?

Slide 36 - Quiz

Is dit een serie of een parallel schakeling?
A
Serie
B
Parallel

Slide 37 - Quiz

Is dit een open of gesloten stroomkring?
A
Open
B
Gesloten

Slide 38 - Quiz

4.3.1 Je kunt twaalf symbolen voor onderdelen in schakelschema’s herkennen en tekenen.
4.3.2 Je kunt het verschil uitleggen tussen een parallelschakeling en een serieschakeling.
4.3.3 Je kunt het schakelschema tekenen van eenvoudige serie- en parallelschakelingen.
4.3.4 Je kunt uitleggen waarom elektrische apparaten bijna altijd parallel geschakeld worden.
4.3.5 Je kunt de grootte van de stroomsterkte beredeneren in een schakeling.
Leerdoelen H4.3

Slide 39 - Diapositive

Aan de slag
PAK JE AGENDA EN SCHRIJF JE HUISWERK OP!
Maak het rekenblad in teams.
Maak de opdrachten 1 t/m 9.

Huiswerk voor 26 maart:
H4.3 lezen, flitskaarten leren, opdrachten 1 t/m 9 maken.
Test jezelf van paragraaf 1 -2 en 3!

Slide 40 - Diapositive