Unité 3 - voc & herhaling être / avoir

Bonjour 
tout le monde
Vendredi, 13 mars
2025
1 / 34
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 34 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Bonjour 
tout le monde
Vendredi, 13 mars
2025

Slide 1 - Diapositive

Regels
-Je gebruikt je eigen naam (één emoji mag)
-Geen antwoorden door de klas roepen
-Niet overdreven juichen als je het goed hebt
-Je luistert als de docent tussendoor uitleg of toelichting geef
-Geen rare antwoorden (scheldwoorden of pesten)
(als je het niet weet typ je een vraagteken)

Slide 2 - Diapositive

Libre Service - Unité 3 -

Slide 3 - Diapositive

4

Slide 4 - Vidéo

Parler, Jouer en Danser betekenen....
A
Praten, eten en zingen
B
Kijken, spelen en dansen
C
Praten, spelen en dansen
D
Praten , spelen en luisteren

Slide 5 - Quiz

hij speelt
A
il joue
B
il jouent
C
il joues

Slide 6 - Quiz

de meisjes dansen
A
les filles dansent
B
les filles danser
C
les filles dansons
D
les filles dansent

Slide 7 - Quiz

Anne .......... avec Marianne (travailler-werken)
A
travaillons
B
travailles
C
travaillez
D
travaille

Slide 8 - Quiz

Aimer, adorer, détester, préférer 
Deze werkwoorden drukken gevoelens uit. 
  + Houden van = aimer
++ Dol zijn op = adorer
 -- Een hekel hebben aan = détester 
     Liever hebben = préférer


Slide 9 - Diapositive

Aimer, adorer, détester, préférer 
Regel:
Na de vervoeging van 'aimer, adorer, détester, préférer' gebruik je in het Frans le / la / l' / les.
In het Nederlands gebruik je géén lidwoord.

Slide 10 - Diapositive

Vul de juiste vorm van het regelmatige werkwoord op -er in en het lidwoord.
Tu............ chocolat. (aimer)

Slide 11 - Question ouverte

00:38
Wat zit er in de doos?

Slide 12 - Question ouverte

00:55
Welke (6) uitgangen komen in plaats van de -er als je vervoegt?

Slide 13 - Question ouverte

00:55
Om te vervoegen (conjuger) moet je eerst.....

Slide 14 - Question ouverte

00:55
Wat zegt hij over de -er werkwoorden?

Slide 15 - Question ouverte

samen
A
malade
B
ensemble
C
difficile
D
presque

Slide 16 - Quiz

turnen
A
faire de la gymnastique
B
dessiner
C
faire du cheval
D
jouer du violon

Slide 17 - Quiz

bang zijn
A
il doit
B
faire de la gymnastique
C
tu fais
D
avoir peur

Slide 18 - Quiz

alles
A
presque
B
souvent
C
tout
D
fort en

Slide 19 - Quiz

waarom
A
presque
B
sauf
C
pourquoi
D
désolé

Slide 20 - Quiz

de voorstelling
A
le spectacle
B
le dessin
C
la fois
D
la comédie

Slide 21 - Quiz

lezen
A
redoubler
B
regarder
C
lire
D
dessiner

Slide 22 - Quiz

tu as =
A
ik heb
B
men is
C
jij hebt
D
jij bent

Slide 23 - Quiz

vous êtes
A
jullie zijn / u bent
B
jullie hebben / u heeft
C
zij zijn
D
men is

Slide 24 - Quiz

elle a =
A
zij is
B
zij hebben
C
zij heeft
D
zij zijn

Slide 25 - Quiz

Ils sont =
A
zij hebben
B
zij heeft
C
zij is
D
zij zijn

Slide 26 - Quiz

u bent =
A
vous êtes
B
nous sommes
C
vous avez
D
nous avons

Slide 27 - Quiz

hij heeft
A
il est
B
elle a
C
ils ont
D
il a

Slide 28 - Quiz

zij hebben =
A
elles sont
B
ils ont
C
elle a
D
il a

Slide 29 - Quiz

jij bent =
A
j' ai
B
tu as
C
tu es
D
je suis

Slide 30 - Quiz

wij hebben =
A
nous sommes
B
nous avons
C
nous avoir
D
on est

Slide 31 - Quiz

Kies de juiste vertaling van :
<Hij heeft> 100 euros !
A
Ils ont
B
Il a
C
Elle a
D
Ils sont

Slide 32 - Quiz

Kies de juiste vertaling van :
Ah, bon, <u bent> madame
Dupont !
A
tu as
B
tu es
C
vous avez
D
vous êtes

Slide 33 - Quiz

Kies de juiste vertaling van :
André <is> sympathique.
A
a
B
es
C
est
D
as

Slide 34 - Quiz