Herhalingsles

Herhalingsles
1 / 13
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

Cette leçon contient 13 diapositives, avec diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

Herhalingsles

Slide 1 - Diapositive

Wat gaan wij/jullie vandaag doen? 
  • Wij gaan de afspraken en regels bespreken.
  • Julie krijgen vandaag een herhalingsles. 
  • Jullie gaan de samenvatting leren. 
  • Jullie gaan de oefentoets maken en nakijken. 
  • Jullie gaan keuzeopdrachten maken om voor de toets te leren. 

Slide 2 - Diapositive

Afspraken en regels 
Je bent op tijd in de les!
Telefoon thuis of in de kluis!
Opgeladen Chromebook
1e keer waarschuwing --> 2e keer strafwerk --> 3e keer nablijven
Geen kauwgom of snoep --> nu kan het nog in de prullenbak
Je mag een slokje water drinken, maar vraag eerst even om toestemming --> flesje water zit in je tas.
Als er iemand aan het woord is, zijn jullie stil!
wij letten op ons volume 

Slide 3 - Diapositive

Spelling - blok 4 
  • Apostrof
  • Weglatingsstreepje
  • Afbreekteken  

Slide 4 - Diapositive

Apostrof = ' 
Gebruik je bij
  • een afkorting met ER of een verkleinwoord erachter -->  A4'tje, CDA'er
  • meervoud van afkortingen -->  tv's
  • meervoud van woorden die eindigen op y --> panty’s
  • namen die eindigen op een lange klinker als je bezit wilt aangeven -->  Ada's boek, Eddy's jas
  • namen die eindigen op een s-klank, als je bezit wilt aangeven -->  Kees' pen, Jens' boek
  • Woorden en getallen waarvan je een deel weglaat --> 's morgens (des morgens), 't huis (het huis), in '87 (in 1987)

Slide 5 - Diapositive

weglatingsstreepje = - 
  • Soms kun je een deel van een woord weglaten, terwijl de betekenis gelijk blijft. Je moet dan wel een weglatingsstreepje neerzetten op de plaats waar je het woord weglaat.
Bijvoorbeeld: 
kerstballen en -bomen (kerstballen en kerstbomen)

  • Je mag GEEN weglatingsstreepje gebruiken als de woorden
niet hetzelfde betekenen.
Bijvoorbeeld:
vervoer en koeienvoer --> dus niet: ver- en koeienvoer

Slide 6 - Diapositive

Afbreekteken
Als een woord niet helemaal op de regel past, kun je het afbreken tussen twee lettergrepen. Dan zet je daar een afbreekteken tussen.

Slide 7 - Diapositive

Afbreekteken
1.  Je mag afbreken tussen de delen van een samenstelling.
Bijvoorbeeld: kenteken-plaat, appel-schil.
2. Gebruik geen afbreekteken voor of na één letter.
Bjvoorbeeld:  over-weg (en niet: o-verweg), ali-nea (en niet: a-linea of aline-a), maf-fia (en niet: maffi-a).
3. Schrijf geen apostrof voor een afbreekteken:
Bijvoorbeeld: pony-tje (en niet: pony'-tje). 
4. Schrijf geen extra klinker in verkleinwoorden. 
Bijvoorbeeld: vla-tje (en niet: vlaa-tje).


Slide 8 - Diapositive

Spelling - blok 5
  • Werkwoorden 
  •  Verkleinwoorden 

Slide 9 - Diapositive

Schema van de werkwoorden

Slide 10 - Diapositive

Verkleinwoorden
Van veel woorden kun je een verkleinwoord maken. -->Dit doe je door er een achtervoegsel achter te zetten. Meestal schrijf je het verkleinwoord zoals het klinkt.
huis –> huisje
slak --> slakje


Slide 11 - Diapositive

Verkleinwoorden (2)
Bij sommige woorden kun je niet horen hoe je het verkleinwoord spelt. Gebruik daarbij de volgende regels:
  • bij woorden die eindigen op -ng schrijf je -nkje of -etje  bijvoorbeeld: afdeling--> afdelinkje
wang--> wangetje
  • bij woorden die eindigen op een lange klinker, verdubbel je de klinker (a, e, i, o en u). -->  foto--> fotootje
  • Bij woorden die eindigen op een -i voeg je een -e- toe --> taxi –>taxietje
  • bij woorden die eindigen op een -y na een medeklinker ( b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, y en z)  schrijf je een apostrof --> pony – ponytje
  • bij letters, cijfers en afkortingen schrijf je een apostrof --> f’je, 6’je

Slide 12 - Diapositive

Aan de slag! 
  • Je gaat de samenvatting leren. 
  • Je gaat de oefentoets maken en nakijken. 
  • Je gaat de keuzeopdrachten maken om extra te leren. 
  • Ben je klaar? Numo 

Slide 13 - Diapositive