les 2: argumenten

Les 2: argumenten
1 / 19
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

Cette leçon contient 19 diapositives, avec diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Les 2: argumenten

Slide 1 - Diapositive

Kenmerken van een discussie:
* Al pratend proberen de sprekers hun positie in te nemen.
* het doel is om de gesprekspartner te overtuigen van iemand zijn mening.
* In een discussie zijn er geen duidelijke regels.
* Eindoordeel op basis van gevoel.



Slide 2 - Diapositive

Kenmerken debat
* Scherp geformuleerde stelling die vooraf is afgesproken
* Er is een debatleider
 * Overtuigen van toehoorders (publiek, jury)
* duidelijke regels
* eindoordeel op basis van vooraf afgesproken criteria

Slide 3 - Diapositive

Het debat
Sprekers krijgen in een debat de tijd om hun mening toe te lichten. 
Het doel van een debat is om het publiek (toehoorders/jury) te overtuigen.
Het gaat dan niet om wie gelijk heeft, maar om wie het beste zijn mening kan onderbouwen / en wie het overtuigendst is.

Een debat is een discussie met duidelijke regels.

Slide 4 - Diapositive

Debatteren moet je leren!
Komende weken:
- oefenen met verschillende debatvormen
- oefenen met praten in de klas - mening geven
- argumenten formuleren en onderbouwen
- betoog schrijven
- Stapsgewijs naar einddebat werken


Slide 5 - Diapositive

Belangrijke begrippen
Stelling: te bewijzen bewering
Argument: dat wat je aanvoert ter ondersteuning van een bewering. 
Standpunt: je mening, opvatting
Overtuigen: met bewijzen tot andere gedachten brengen

Iemands standpunt kan zijn dat het in de winter een goed idee is om je warm aan te kleden. De argumenten hiervoor zouden kunnen zijn: 
1) wie zich warm aankleedt in de winter heeft een kleinere kans om ziek te worden; 
2) wie zich warm aankleedt in de winter heeft het minder koud.  

Slide 6 - Diapositive

Standpunt of argument
Het standpunt is de mening van iemand: 'Ik vind het belangrijk dat leerlingen leren debatteren'.

Deze mening wordt onderbouwd (sterker gemaakt) door argumenten:
- omdat ik vind dat leerlingen moeten weten hoe zij hun mening kunnen onderbouwen met goede argumenten. 
- omdat het bewezen is dat leerlingen die goed kunnen debatteren, meer kunnen bereiken in hun latere leven. 

Slide 7 - Diapositive

Argument
Een argument is een uitleg waarom je iets vindt.

Als je bijvoorbeeld zegt dat je niet naar buiten wilt, dan kun je als uitleg geven: 

‘Ik wil niet naar buiten, omdat het regent’, of: ‘Het regent, daarom wil ik niet naar buiten.’ 
Het argument is dan: het regent.

Soms is het onduidelijk of iets een argument is of niet. Iets is meestal een argument als één van de volgende woorden in de zin zit: omdat, want, immers, daarom, dus.

Slide 8 - Diapositive

Handig om te onthouden
Signaalwoorden voor een standpunt zijn woorden zoals ‘ik vind’, ‘volgens mij’, ‘dus’, ‘daarom’, ‘concluderend’.
Signaalwoorden voor een argument zijn woorden zoals ‘want’, ‘omdat’, ‘immers’, ‘aangezien’, en ‘namelijk’.

Gebruik de want-dus proef om te controleren of het een standpunt of argument is. 

Slide 9 - Diapositive

Slide 10 - Diapositive

Slide 11 - Diapositive

Slide 12 - Diapositive

Slide 13 - Diapositive

Opdracht 4: argument
Bedenk nu zelf twee andere standpunt met een argument volgens de want/dus methode. 

Schrijf deze in je werkboekje.

Slide 14 - Diapositive

Filmpjes
Bekijk de filmpjes: 
Argumenten en feitelijke argumenten.

Maak daarna de opdracht.

Slide 15 - Diapositive

Slide 16 - Vidéo

Slide 17 - Vidéo

Opdracht 5: feitelijke argumenten
Zoek bij de volgende twee stellingen twee feitelijke argumenten

1) Huiswerk mag alleen met pen en op papier gemaakt worden.

2) Een vape moet 150 euro kosten.


Slide 18 - Diapositive

Driehoeken-debat

Instructie:
Kies een controversiële stelling (bijvoorbeeld: "Iedereen moet verplicht vegetarisch eten.").
In de ruimte zijn vier hoeken:
Helemaal mee eens
Gedeeltelijk mee eens
Gedeeltelijk mee oneens
Helemaal mee oneens
Laat deelnemers een hoek kiezen en hun keuze kort toelichten.
Na toelichtingen mogen deelnemers wisselen van hoek als ze overtuigd worden.
Reflecteer op het proces: wat overtuigde mensen om van mening te veranderen?

Slide 19 - Diapositive