P = probleem: Wat zijn de klachten, gezondheidsverstoringen en de reactie van de cliënt op de ziekte?
E = Etiologie: Wat is de (ziekte)oorzaak en wat zijn de samenhangende factoren?
S = Symptomen: Zijn er aanwijzingen, signalen en waarneembare verschijnselen?
Objectieve symptomen: wat jij observeert
Subjectieve symptomen: wat de cliënt zegt en ervaart