Unité 4 - la négation - de ontkenning

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Denver
Sem
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent
1 / 35
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 1

Cette leçon contient 35 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Denver
Sem
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent

Slide 1 - Diapositive

H1B
Nicole
Marly
Sienna
Alexandra
Darren
Giuliano
Delayla
Fienne
Maura
Colin
Lucas
Livia
Isha
Brent
Shreyas
Seraphine
Lindsey
Olivier
Kenzo
Lina
Yara
Julian
Joey
Bas
Docent

Slide 2 - Diapositive

Programme
  • Répétition aller en  ''écouter ''
  • De ontkenning in het Frans
  • Les exercices

Slide 3 - Diapositive

doel:
Na deze les weet je wat de Fransen bedoelen als ze
'ne ... pas' zeggen in een zin, 
en kun je dat zelf ook in een zin gaan gebruiken


Slide 4 - Diapositive

Huiswerk :Luisteropdrachten
Faire (maak) : Ex 12, 13, 14 blz 121-122





Apprendre (leren) : Apprendre 1 en 2 blz 133 (sotje)
Apprendre (leren) : Apprendre 3 en 4 blz 134 (sotje)



Slide 5 - Diapositive

Exercice
Vul de juiste vertaling van aller in.
1 (Alice gaat) _______________________ habiter à Paris.
2 (Tom en Boris gaan) _______________________ en France.
3 (u gaat) _______________________ à l'école.
4. (ik ga eten ) _______________________au restaurant.

timer
3:00

Slide 6 - Diapositive

Exercice- correction 
Vul de juiste vertaling van aller in.
1 Alice (elle) va habiter à Paris.
2 Tom et Boris (ils) vont en France.
3 vous allez à l'école.
4. je vais manger au restaurant

Slide 7 - Diapositive

Focusleren
Unité 4
Apprendre 5 page 134

timer
5:00

Slide 8 - Diapositive

Wat betekent:
Il chante.
A
Hij danst.
B
Jij woont.
C
Ik zing.
D
Hij zingt.

Slide 9 - Quiz

Il ne chante pas.
A
Hij zingt niet.
B
Jij danst niet.
C
Ik zing niet.
D
Zij danst niet.

Slide 10 - Quiz

J'habite dans un village.
A
Jij woont in een dorp.
B
Hij woont in een dorp.
C
Ik woon in een dorp.
D
Wij wonen in een dorp

Slide 11 - Quiz

Je n'habite pas dans un village.
A
Jij woont niet in een dorp.
B
Hij woont niet in een dorp.
C
Ik woon niet in een dorp.
D
Wij wonen niet in een dorp.

Slide 12 - Quiz

Hoe vertaal je het woordje
'niet'
in het Frans?

Slide 13 - Question ouverte

hoofdstuk 4
La négation
De ontkenning 

Slide 14 - Diapositive

NE PAS
Als je zegt dat iets 'niet' zo is, dan noem je dat een ontkenning
Als je een zin ontkennend wil maken, dan gebruik je 'NE ... PAS'.

Exemples:
- Je ne mange pas de banane.            Ik eet geen geen bananen
- Tu ne regardes pas la télé.                  Jij kijkt geen televisie
- Nous ne jouons pas au foot.              Wij voetballen niet

Slide 15 - Diapositive

Plaats in de zin
Je ne mange pas de viande.
   >  NE  VOOR de persoonsvorm / PAS   meteen NA de persoonsvorm

! > Klinkerbotsing  / stomme 'h'    > NE verandert in N'
- On n'a pas de devoirs. = We hebben geen huiswerk.
- Elle n'habite pas à Paris. = Zij woont niet in Parijs.
- C'est facile. = Ce n'est pas facile.  = Het is niet makkelijk.
!! > Als er twee werkwoorden in de zin staan, zet je het nog steeds rondom de persoonsvorm :
- Je veux manger un hamburger. = Je ne veux pas manger de frites.

Slide 16 - Diapositive

Slide 17 - Lien

C'est tout? Non, ...

Il y a aussi:
- ne ... plus = niet meer / geen meer
     -> Il n'habite plus en France. = Hij woont niet meer in Frankrijk.
- ne...jamais = nooit
     -> Il ne fait jamais ses devoirs. = Hij maakt nooit zijn huiswerk.
- ne...rien = niets
     -> Elle ne sait rien. = Zij weet niets.

Slide 18 - Diapositive

Prononciation
 
Schrijf de letters van de namen en plaatsen op die je hoort. 
1 …
2 …
3 …
4 …

Slide 19 - Diapositive

Prononciation
Schrijf de letters van de namen en plaatsen op die je hoort.
1 …
2 …
3 …
4 …

Slide 20 - Diapositive

Ontkenning in het Frans: Bestaat uit 2 delen:
1️⃣ ne / n’ (voor het werkwoord)
2️⃣ pas / plus / jamais / rien (achter het werkwoord)
📌 Voorbeelden:
🔹 ne ... pas (niet) → Je ne sais pas. (Ik weet het niet.)
🔹 ne ... plus (niet meer) → Il ne joue plus. (Hij speelt niet meer.)
🔹 ne ... jamais (nooit) → Elle ne danse jamais. (Zij danst nooit.)
🔹 ne ... rien (niets) → Nous ne voyons rien. (Wij zien niets.)
💡 Let op!

ne → n’ vóór een klinker of stomme h
➡️ Je n’aime pas les bonbons. (Ik hou niet van snoep.)

Bij c’est → ce n’est pas
➡️ C’est facile. → Ce n’est pas facile. (Het is niet makkelijk.)

Extra tip:
✅ Markeer ne / n’ en pas / plus / jamais / rien met verschillende kleuren!

Wil je dit als een visuele afbeelding of in een werkblad? 😊









Slide 21 - Diapositive

💡 Let op!
ne → n’ vóór een klinker of stomme h
➡️ Je n’aime pas les bonbons. (Ik hou niet van snoep.)

Bij c’est → ce n’est pas
➡️ C’est facile. → Ce n’est pas facile. (Het is niet makkelijk.)

Extra tip:
✅ Markeer ne / n’ en pas / plus / jamais / rien met verschillende kleuren!

Wil je dit als een visuele afbeelding of in een werkblad? 😊









Slide 22 - Diapositive

Je mange des bananes.
A
Je mange ne pas de bananes.
B
Je ne mange pas de bananes.
C
Je mange de ne pas bananes.
D
Je ne mange de bananes pas.

Slide 23 - Quiz

Ils sont dans la classe.
A
Ils ne sont pas dans la classe.
B
Ils sont ne pas dans la classe.
C
Ils sont dans ne pas la classe.
D
Ne pas ils sont dans la classe.

Slide 24 - Quiz

J'ai une soeur.
A
J'ai ne pas de soeur.
B
Je ne ai pas de soeur.
C
J'ai ne pas de soeur.
D
Je n'ai pas de soeur.

Slide 25 - Quiz

Maak ontkennend met ne.... pas :
 Nous cherchons les cadeaux.  
ne
pas
cadeaux
nous
les
cherchons

Slide 26 - Question de remorquage

Maak ontkennend met ne ... pas >
elle mange le chocolat

Slide 27 - Question ouverte


Maak de zin ontkennend:
charles a quatre frères

Slide 28 - Question ouverte


Maak de zin ontkennend:
Elles ont 13 ans

Slide 29 - Question ouverte


Maak ontkennend:
Il a déménagé
nooit

Slide 30 - Question ouverte

Zet de volgende zin in de ontkenning:

Alicia a d'argent + ne ... jamais

Slide 31 - Question ouverte


Maak de zin ontkennend:
c'est possible

Slide 32 - Question ouverte


Maak de zin ontkennend:
c'est ma famille

Slide 33 - Question ouverte

Wat smurft deze smurf?

Slide 34 - Diapositive

nu maken:   U4 > taak 4.5
Exercice 16CDE page 124
Klaar maak exercice 17: page 127





Slide 35 - Diapositive