Qu'est-ce que LessonUp
Rechercher
Canaux
Connectez-vous
S'inscrire
‹
Revenir à la recherche
Tekstverbanden & signaalwoorden 2H oefenen 2
Wat heb je aan tekstverbanden en signaalwoorden?
Je kunt een tekst beter begrijpen als je weet wat de delen met elkaar te maken hebben.
Welk verband ze hebben.
Je herkent het verband tussen woorden, zinnen en alinea's aan
signaalwoorden.
1 / 20
suivant
Slide 1:
Diapositive
Nederlands
Middelbare school
vmbo t
Leerjaar 2
Cette leçon contient
20 diapositives
, avec
quiz interactifs
et
diapositive de texte
.
La durée de la leçon est:
45 min
Commencer la leçon
Partager
Imprimer la leçon
Éléments de cette leçon
Wat heb je aan tekstverbanden en signaalwoorden?
Je kunt een tekst beter begrijpen als je weet wat de delen met elkaar te maken hebben.
Welk verband ze hebben.
Je herkent het verband tussen woorden, zinnen en alinea's aan
signaalwoorden.
Slide 1 - Diapositive
Wat is een tekstverband?
A
Het belangrijkste wat in de tekst over het onderwerp wordt gezegd.
B
Het belangrijkste in een alinea.
C
De samenhang tussen woorden, zinnen of alinea's.
D
Relaties tussen verschillende delen van de tekst.
Slide 2 - Quiz
Wat is een signaalwoord
Wat zijn signaalwoorden?
A
Woorden die verbanden tussen zinnen leggen
B
Woorden die zelfstandig een betekenis hebben
C
Woorden die iets zeggen over het zelfstandignaamwoord
D
Woorden die extra informatie geven
Slide 3 - Quiz
Welke signaalwoorden geven een oorzakelijk verband aan?
A
Omdat, daarom, dus, doordat
B
Doordat, dus, dankzij, kortom.
C
Kortom, dus, dat komt door
D
Dat komt door, doordat, dus
Slide 4 - Quiz
Een oorzakelijk verband geeft aan waarom iets gebeurt
A
Juist
B
Onjuist
Slide 5 - Quiz
Wat is een concluderend verband
A
Conclusie uit eerdere informatie uit de tekst
B
Waarom iemand iets doet of vindt
C
Waardoor iets gebeurt
Slide 6 - Quiz
Hoe omschrijf je een redengevend verband het beste?
A
Dit verband geeft aan waardoor iets gebeurt.
B
Dit verband geeft aan waarom iemand iets doet of vindt.
C
Dit doet iemand heel bewust
D
Dit gebeurt buiten iemands wil
Slide 7 - Quiz
Tekstverbanden, het woord 'maar' hoort bij een .......tekstverband
A
opsommend
B
voorbeeldgevend
C
tegenstellend
D
redengevend
Slide 8 - Quiz
Zoek
tekstverband:
Hij houdt van pannenkoeken, maar niet van pizza.
n.
A
opsomming
B
tegenstelling
C
chronologie
D
toelichting
Slide 9 - Quiz
Zoek
tekstverband:
Vroeger hield hij van pasta, tegenwoordig houdt hij meer van pizza.
n.
A
opsomming
B
tegenstelling
C
chronologie
D
toelichting
Slide 10 - Quiz
Bij een vergelijkend verband gebruik je als signaalwoord ....
A
bijvoorbeeld
B
zo, zoals, evenals
C
want, omdat
D
mits, tenzij
Slide 11 - Quiz
Wat geeft een vergelijkend verband aan?
A
Het laat zien wat je net hebt gelezen.
B
Het noemt twee zaken op.
C
Het laat een verschil of overeenkomst zien.
D
Huh, vergelijkend verband?!
Slide 12 - Quiz
Vergelijkend verband
A
Ik wil net als mijn vader later piloot worden!
B
Morgen ben ik jarig en ga ik zwemmen . Daarna gaan we patat eten.
C
Ik heb geen zin in het weekend, want ik moet huiswerk maken.
Slide 13 - Quiz
Hoe omschrijf je een doel-middel verband het beste?
A
Geeft aan welk middel gebruikt wordt om een doel te bereiken.
B
Welk doel wordt er gebruikt?
C
Waarmee kun je iets het beste schoonmaken?
D
Dit gebeurt buiten iemands wil.
Slide 14 - Quiz
Signaalwoorden voor
doel-middel zijn:
A
om... te, daarna, aangezien
B
zodat, om... te, door middel van
C
zodat, door middel van, kortom
D
kortom, daarom, immers
Slide 15 - Quiz
doel-middel
A
Mijn buurman volgt een cursus Engels, zodat hij de kans op een internationale carrière vergroot.
B
Ik heb besloten meer aan sport te gaan doen, omdat ik me de laatste tijd slap en futloos voel.
C
D
Slide 16 - Quiz
wat maakt een voorwaardelijk verband duidelijk?
A
een andere kant van de zaak aangegeven
B
geeft de auteur een verkorte weergave van informatie uit de tekst
C
onder welke voorwaarden iets gebeurd
D
geeft aan welk middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken
Slide 17 - Quiz
Welke signaalwoorden horen bij een voorwaardelijk verband?
A
Adhv, zodat, om te, dmv, met, middels en opdat
B
Als, indien, tenzij, wanneer, als dan
C
Kortom, samengevat, met andere woorden en al met al.
D
Ook al, zij het dat, weliswaar, alhoewel, ofschoon, desondanks,
Slide 18 - Quiz
"Ik ga werken bij de supermarkt, tenzij ik geselecteerd word voor het eerste team." Welk verband?
A
toegevend verband
B
voorwaardelijk verband
C
doel-middelenverband
Slide 19 - Quiz
Kortom, dit was de herhaling over tekstverbanden en signaalwoorden.
Tekstverband?
A
Doel-middelverband
B
Vergelijkend verband
C
Samenvattend verband
D
Concluderend verband
Slide 20 - Quiz
Plus de leçons comme celle-ci
Tekstverbanden & signaalwoorden 2H oefenen 2
12 days ago
- Leçon avec
20 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vmbo t
Leerjaar 2
3M Tekstverbanden
September 2022
- Leçon avec
44 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vmbo t
Leerjaar 2
3M Tekstverbanden
February 2025
- Leçon avec
46 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vmbo t
Leerjaar 2
Tekstverbanden 2 vwo
April 2024
- Leçon avec
15 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vwo
Leerjaar 2
Tekstverbanden 2 vwo
December 2024
- Leçon avec
15 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vwo
Leerjaar 2
Tekstverbanden 2 vwo
September 2024
- Leçon avec
15 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vwo
Leerjaar 2
Tekstverbanden 2 vwo
January 2025
- Leçon avec
16 diapositives
Nederlands
Middelbare school
vwo
Leerjaar 2
Talent lezen 5.3 Les 2
May 2024
- Leçon avec
15 diapositives
Nederlands
Middelbare school
havo
Leerjaar 2