WACF 1e 3e 4e nv ontleden 3tl/4tl

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
                Lernziele dieser Unterrichtsstunde:

1. Je kunt zinnen in het Duits ontleden.
2. Je kent de vormen van de DER-groep en EIN- Gruppe.

1 / 21
suivant
Slide 1: Diapositive
DuitsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 4

Cette leçon contient 21 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
                Lernziele dieser Unterrichtsstunde:

1. Je kunt zinnen in het Duits ontleden.
2. Je kent de vormen van de DER-groep en EIN- Gruppe.

Slide 1 - Diapositive

stap 2: Als er geen voorzetsel is, ontleed je de zin naar onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

  • onderwerp: 1e naamval
  • meewerkend voorwerp: 3e naamval
  • lijdend voorwerp: 4e naamval

Slide 2 - Diapositive

Ontleden (net als in het Nederlands)
                             Ich kaufe meiner Mutter eine Rose 

gezegde ➔ de handeling, wat doet het onderwerp
1e naamval ➔ ( wie / wat + gezegde) ➔ onderwerp 

4e naamval ➔ ( wie/wat + gezegde + onderwerp) ➔ lijdend voorwerp 

3e naamval ➔ ( aan/voor wie + gezegde + onderwerp) ➔ meewerkend voorwerp 


Slide 3 - Diapositive

Ontleden (net als in het Nederlands)
Ich habe meiner Mutter eine Zeitung gekauft

[onderwerp]   [meew. vw]      [lijdend vw]
         1e                            3e                           4e

Slide 4 - Diapositive

 der-Gruppe:

Zoals de ein-Gruppe:
mein-,
dein-,
sein-,
enz. 
(alle bezittel.
vnw.)

Slide 5 - Diapositive

Kurz üben...

Slide 6 - Diapositive

Onzijdig woord der-Gruppe in de vierde naamval
A
der
B
das
C
die
D
dem

Slide 7 - Quiz

Mannelijk woord der-Gruppe wordt in de derde naamval
A
der
B
dem
C
das
D
den

Slide 8 - Quiz

Vrouwelijk woord der-Gruppe wordt in de derde naamval
A
die
B
der
C
dem
D
den

Slide 9 - Quiz

welke woorden horen bij de:
der Gruppe
A
dein-
B
ihr-
C
dem
D
die

Slide 10 - Quiz



De bezittelijke voornaamwoorden horen bij de .... 
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 11 - Quiz

Nu zelf een paar zinnen ontleden...

Slide 12 - Diapositive

Wat is in deze zin het onderwerp?
Meine Mutter gibt ihrem Vater ein Geschenk

A
Meine Mutter
B
gibt
C
ihrem Vater
D
ein Geschenk

Slide 13 - Quiz

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp?
Meine Mutter gibt ihrem Vater ein Geschenk
A
Meine Mutter
B
gibt
C
ihrem Vater
D
ein Geschenk

Slide 14 - Quiz

Wat is in deze zin het meewerkend voorwerp?Meine Mutter gibt ihrem Vater ein Geschenk
A
Meine Mutter
B
gibt
C
ihrem Vater
D
ein Geschenk

Slide 15 - Quiz

Wat is in deze zin het onderwerp?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 16 - Quiz

Wat is in deze zin het meewerkend voorwerp?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 17 - Quiz

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 18 - Quiz

Welke van de vervoegingen is geen 3e naamval?
A
dem Mann
B
dem Kind
C
den Mann
D
der Frau

Slide 19 - Quiz

4e naamval is......
A
Onderwerp
B
Lijdende vorm
C
Meewerkende vorm

Slide 20 - Quiz

der-Gruppe

3e naamval vrouwelijk?
A
die
B
das
C
der
D
den

Slide 21 - Quiz