Periode 7 hoofdstuk 13: lesweek 7 les 1 en 2

WAW Periode 7 lesweek 6
1 / 48
suivant
Slide 1: Diapositive
WawMBOStudiejaar 2

Cette leçon contient 48 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 6 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 90 min

Éléments de cette leçon

WAW Periode 7 lesweek 6

Slide 1 - Diapositive

Hoofdstuk 13 handicaps en beperkingen
Brainstorm in groepen over mogelijke aanpassingen, interventies en hulpmiddelen die kunnen worden ingezet. (Kies hiervoor per groep één bepaalde handicap)
Laat elke groep enkele strategieën presenteren en bespreek de voor- en nadelen

Slide 2 - Diapositive

Slide 3 - Diapositive

Slide 4 - Diapositive

Slide 5 - Diapositive

Weken
Onderwerp
Hoofdstuk
Week 1
Differentiëren- NT2 onderwijs en hoogbegaafdheid
9
Week 2
Lees- en spellingsstoornissen, rekenstoornissen, NLD, dyspraxie en handelingsplan
9
Week 3
Passend onderwijs in de regio, klas of op maat
10
Week 4
Passend onderwijs in de regio, klas of op maat
10
Week 5
Aandacht voor de introverte leerling 
11
Week 6
Handicaps en beperkingen 
13
Week 7
Waar ligt jullie behoefte individueel of als klas?
Week 8
Inleveren van portfolio met lesopdrachten

Slide 6 - Diapositive

Hoofdstuk 13: Handicap en beperkingen

Hoofdstuk 13


§13.3 Lichamelijke beperking
§13.4 Verstandelijke beperking
§13.5 Meervoudige handicap



Slide 7 - Diapositive

Hoofdstuk 13: Handicap en beperkingen

Een ander woord voor handicap is beperking. 


We spreken van een handicap of beperking wanneer het algemene dagelijkse functioneren wordt beperkt door een afwijking die aangeboren is of die iemand later heeft gekregen door bijvoorbeeld een ongeluk.

Slide 8 - Diapositive

Hoofdstuk 13: Handicap en beperkingen



Doel: Na behandeling van deze lessen hebben jullie basiskennis van begrippen van (dis)functioneren door (chronische) ziekte(n).

Slide 9 - Diapositive

Welke soorten handicaps/beperkingen zijn er?
A
Visuele en auditieve handicaps
B
Lichamelijke en verstandelijke handicaps
C
Motorische en geestelijke handicaps
D
Lichamelijke en sociale handicaps

Slide 10 - Quiz

Wanneer heb je een motorische handicap?
A
Als je niet goed kunt zien
B
Als je niet goed kunt horen
C
Als je niet goed kunt ademen
D
Als je niet goed kunt bewegen

Slide 11 - Quiz

Welke van de onderstaande beperkingen is een motorische handicap?
A
Spasticiteit
B
Epilepsie
C
Diabeters
D
Coeliakie

Slide 12 - Quiz

Wat is een auditieve handicap?
A
Iemand die niet goed kan zien
B
Iemand die niet goed kan horen
C
Iemand die niet goed kan praten
D
Iemand die niet goed kan bewegen

Slide 13 - Quiz

Wat is een ander woord voor suikerziekte?
A
Coeliakie
B
Astma
C
Diabetes
D
Epilepsie

Slide 14 - Quiz

Hoe wordt een aanval bij diabetes genoemd?
A
Spasticiteit
B
Een hyper of een hypo
C
Partiële aanval
D
Syndroom van down

Slide 15 - Quiz

Wat wordt bedoeld met een neurologische handicap?
A
Iemand is door of slechthorend
B
Iemand heeft een aandoening aan de hersenen, het ruggenmerg en/of het totale centrale zenuwstelsel
C
Iemand is beperkt in het bewegen
D
Iemand heeft een aandoening aan de organen

Slide 16 - Quiz

Wat is kenmerkend voor epilepsie?
A
Aanvallen waarbij je neervalt
B
Wegdraaiende ogen
C
Hyperventilatie
D
Braken

Slide 17 - Quiz

Het syndroom van down is een voorbeeld van:
A
Een motorische handicap
B
Een zintuigelijke handicap
C
Een verstandelijke handicap
D
Een neurologische handicap

Slide 18 - Quiz

Wat wordt bedoeld met een meervoudige handicap?
A
Iemand heeft twee afzonderlijke handicaps die ieder op zich ernstig, omvangrijk en langdurig zijn
B
Iemand heeft een handicap en een leerachterstand
C
Iemand heeft twee handicaps maar heeft er geen last van
D
Iemand heeft een verstandelijke en lichamelijke handicap

Slide 19 - Quiz

Slide 20 - Vidéo

Lichamelijke handicap


  • Motorische handicap
  • Zintuiglijke handicap
  • Organische handicap
  • Neurologische handicap

Slide 21 - Diapositive

Lichamelijke handicap
Motorische handicap: 
Stoornis in het bewegen

Meest voorkomende motorische handicaps:
 Spasticiteit: stoornis in samenwerking vd spieren
 Verlamming
 Ontbrekende ledematen
 Diverse aangeboren afwijkingen


Slide 22 - Diapositive

motorische handicap
Lesopdracht 1

Leerlingen met een motorische handicap kunnen prima onderwijs volgen op een reguliere school. Een voorwaarde is dan wel dat de school hierop ingericht is en over de juiste hulpmiddelen beschikt. Bedenk met de klas minimaal 3 verbeterpunten / hulpmiddelen die onze school nog moet aanpassen of aanschaffen om het toegankelijker te maken voor leerlingen met een motorische beperking.

Slide 23 - Diapositive

motorische handicap
Lesopdracht 2


Heb jij kinderen in je BPV-klas met een van de bovenstaande motorische beperkingen?
• Zo ja, op wat voor manier heeft dit consequenties voor jouw handelen?
• Zo nee, hoe denk je om te kunnen/moeten gaan met deze kinderen?


Slide 24 - Diapositive

Lichamelijke handicap
Zintuiglijke handicap


Visuele handicap: blind of slechtziend
Auditieve handicap: doof of slechthorend

Slide 25 - Diapositive

Slide 26 - Vidéo

Slide 27 - Diapositive

Lesopdracht 4

We hebben geleerd dat er leerlingen in de klas kunnen zijn met een auditieve handicap. Het is daarom van belang dat je als onderwijsassistent weet dat liplezen of gebarentaal ondersteunend kan zijn voor deze leerlingen. De studenten leren door memory een beschrijvend gebaar te koppelen aan de betekenis. Alle gebaren zijn gebaseerd op woorden die in de klas regelmatig worden gebruikt.


Verdeel de klas in groepjes van drie studenten. Twee studenten spelen tegen elkaar memory en proberen de omschrijving van het gebaar te koppelen aan de juiste betekenis. De derde student houdt bij of dat er juiste matchen worden gemaakt. De student met de meeste juiste matchen heeft gewonnen!

Slide 28 - Diapositive

Lichamelijke handicap
Organische handicap
Veroorzaakt door een ziekte aan 1 of meerdere organen die niet meer overgaat

Voorbeelden van organische handicaps zijn:
 Astma en andere longaandoeningen (COPD)
 Coeliakie of andere darmaandoeningen
 (Huid) allergie
 Diabetes


Slide 29 - Diapositive

Astma -  lesopdracht 5

In onderstaande video legt een leerling van een middelbare school uit wat dit voor haar betekent en welke gevolgen dit heeft bij het volgen van bepaalde vakken. 

Bekijk de video en beantwoord de volgende vragen:
a. Waar let je als onderwijsassistent extra op bij leerlingen met astma?
b. Geef een voorbeeld van hoe jij leerlingen met astma kan ondersteunen tijdens een schooldag.

Slide 30 - Diapositive

Slide 31 - Vidéo

Lichamelijke handicap

Diabetes
Afwijking aan de alvleesklier

Soorten diabetes:
 - Diabetes type 1
 - Diabetes type 2
 - (zwangerschapsdiabetes)

Verschillende aanvallen:
 Hypo: te weinig glucose in het bloed
 Hyper: te veel glucose in het bloed



Slide 32 - Diapositive

Slide 33 - Vidéo

Lichamelijke handicap
Neurologische handicap
Beperking door een aandoening aan de hersenen, het ruggenmerg en/of het totale centrale zenuwstelsel

Epilepsie: Aandoening aan de hersenen die zich uit in de vorm van aanvallen.

Soorten aanvallen:
 - Partiële aanvallen
 - Gegeneraliseerde aanvallen:
     Absence
     Grote/tonisch-clonische aanval



Slide 34 - Diapositive

Neurologische handicap - lesopdracht 7
Neurologische handicap
We lezen individueel paragraaf 13.3.4. In deze paragraaf lezen we over de neurologische handicap epilepsie. 

Beantwoord de volgende vragen:
a. Hoe herken je de voortekenen van een partiële aanval, absence of tonisch-clonische aanval?
b. Wat moet je doen als een kind in jouw klas een partiële aanval, absence of tonisch-clonische aanval krijgt?
c. Welke aanpassingen in de klas kunnen helpen om een leerling met epilepsie te ondersteunen?




Slide 35 - Diapositive

Lichamelijke handicap
Antwoorden:
a. Hoe herken je de voortekenen van een partiële aanval, absence of tonisch-clonische aanval?
• Absence: Het kind stopt ineens met waar het mee bezig is en staart voor zich uit. Dit duurt ongeveer 3-30 seconden. Na de aanval lijkt het kind gewoon weer verder te gaan, zonder zich bewust te zijn van wat er is gebeurd.
• Partiële aanval: Het kind kan plotseling vreemde gewaarwordingen ervaren, zoals een rare geur ruiken of ongecontroleerde bewegingen maken. De aanval blijft vaak beperkt tot een deel van het lichaam en kan enkele seconden tot minuten duren.
• Tonisch-clonische aanval: Soms heeft het kind vooraf een waarschuwend gevoel (aura). Tijdens de aanval verstijft het lichaam eerst (tonische fase) en krijgt het daarna schokkende bewegingen (clonische fase). Het kind kan het bewustzijn verliezen, blauw aanlopen en schuim op de mond krijgen.

Slide 36 - Diapositive

Lichamelijke handicap
b. Wat moet je doen als een kind in jouw klas een partiële aanval, absence of tonisch-clonische aanval krijgt?
• Bij een absence:
- Wacht tot de aanval voorbij is (meestal enkele seconden).
- Herhaal de uitleg of opdracht rustig, want het kind herinnert zich de aanval niet.
- Houd bij hoe vaak het voorkomt, zodat ouders en zorgverleners dit kunnen monitoren.
• Bij een partiële aanval:
- Zorg ervoor dat het kind zich niet kan bezeren.
- Probeer het niet te onderbreken of tegen te houden.
- Wacht tot de aanval voorbij is en controleer of het kind zich weer goed voelt.
• Bij een tonisch-clonische aanval:
- Leg het kind veilig neer, het liefst op de zij, zodat de ademhaling vrij blijft.
- Houd de tijd in de gaten: Een aanval duurt meestal 1-2 minuten.
- NIET doen: Stop niets in de mond en probeer de bewegingen niet tegen te houden.
- Na de aanval: Laat het kind rustig bijkomen, het kan verward en vermoeid zijn.

Slide 37 - Diapositive

Lichamelijke handicap
c. Welke aanpassingen in de klas kunnen helpen om een leerling met epilepsie te ondersteunen?
• Creëer een veilige leeromgeving: Zorg ervoor dat er geen gevaarlijke objecten in de buurt zijn waaraan het kind zich kan bezeren tijdens een aanval.
• Herken absences op tijd: Omdat een absence er onopvallend uit kan zien, is het goed om deze te signaleren en het kind zo nodig extra uitleg te geven.
• Begrip tonen voor vermoeidheid: Na een tonisch-clonische aanval is een kind vaak erg moe. Geef het de ruimte om te herstellen en houd hier rekening mee in de planning.
• Goede communicatie met ouders en zorgverleners: Bespreek welke voorzorgsmaatregelen nodig zijn en zorg dat er een epilepsieplan klaarligt.
• Rustige werkplek bieden: Overprikkeling kan epileptische aanvallen uitlokken. Zorg dat het kind in een rustige omgeving kan werken.

Slide 38 - Diapositive

Lichamelijke handicap
Indeling verstandelijke handicaps
 IQ < 20: zeer ernstig verstandelijk gehandicapt
 IQ tussen 20 en 35: ernstig verstandelijk gehandicapt
 IQ tussen 35 en 55: matig verstandelijk gehandicapt
 IQ tussen 55 en 70: licht verstandelijk gehandicapt

Syndroom van Down
Aangeboren afwijking waarbij het chromosoom 21
niet twee keer, maar drie keer aanwezig is.


Slide 39 - Diapositive

Syndroom van down - lesopdracht 9
Op blz. 257 uit het boek wordt er informatie gegeven over de verstandelijke beperking het Syndroom van Down. Veel studenten kunnen zich een voorstelling maken van iemand met Syndroom van Down, maar hebben zij de juiste voorkennis? Op de volgende dia zien we een woordweb met feitjes en fabels. 

Wat is een feit en wat is een fabel? Kleur de fabel rood en 
Plak een rode (fabel) of groene (feit) post-it bij de kenmerken van het woordweb. 

Slide 40 - Diapositive

Slide 41 - Diapositive

Slide 42 - Diapositive

Slide 43 - Vidéo

Lichamelijke handicap


Meervoudige handicap = co-morbiditeit
iemand heeft twee afzonderlijke handicaps die ieder op zich ernstig, omvangrijk en langdurig zijn.

Slide 44 - Diapositive

Lichamelijke handicap


Meervoudige handicap 
We bekijken zo een video en krijgen de volgende kijkvraag mee: ‘Welke ondersteuning, begeleiding, hulpmiddelen zie je terug in de video?’.  

Slide 45 - Diapositive

Slide 46 - Vidéo

Portfolio opdracht  - interview BPV
Opdracht 13.11 blz 260.
Interview je bpv-begeleider en/of schoolleiding over hoe ze (beleidsmatig) omgaan met kinderen met een beperking.

Het interview moet bestaan uit minimaal 10 vragen. 
Je verwerkt de informatie uit het interview in een verslag. In het verslag geef je ook je eigen mening over hoe ze op de BPV omgaan met kinderen met een beperking. Je verlsag heeft een omvang van 1x A4.

Bespreek het verslag na met je bpv-begeleider.

Slide 47 - Diapositive

Portfolio opdrachten
Portfolio:
Opdracht 1: Differentiatie 
Opdracht 2: Hoogbegaafdheid
Opdracht 3: NLD, dyslexie, dyscalculie 
Opdracht 4: Handelingsplan
Opdracht 5: Samenwerkingsverband
Opdracht 6: Organogram zorgpersoneel
Opdracht 7: Gedragsproblemen
Opdracht 8: Introverte leerlingen
Opdracht 9: Hoe ga je om met introverte leerlingen
Opdracht 10: Interview BPV

Slide 48 - Diapositive