Stap voor stap! Gebruik een kladblaadje, check op hoofdletters, komma's, punten. Kloppen de werkwoorden met de persoonlijke voornaamwoorden? Bijvoegelijke naamwoorden? Klopt de zinsindeling? (werkwoorden bij elkaar)
1. Begin met het onderwerp. 2. Start daarna met een aanhef: - Gebruik een informele groet zoals "Salut" of "Bonjour."3. Vraag hoe het gaat: Bijvoorbeeld "Comment ça va ?".
4. Beschrijf de situatie: Schrijf kort over waar je bent, hoe je verblijft, en benadruk details zoals een mooi hotel of het zwembad. (bijvoegelijke naamwoorden passen zich aan het zelfstandignaamwoord!)
5. Beschrijf het weer: Gebruik eenvoudige zinnen zoals "Il fait chaud et ensoleillé."
6. Vertel over activiteiten: Kies drie simpele activiteiten en gebruik basiswerkwoorden zoals manger, visiter, faire, aller.
7. Stel een vr aag: Vraag bijvoorbeeld of de ontvanger tijd heeft om af te spreken, met duidelijke data. (met lidwoord!)
8. Sluit vriendelijk af: Gebruik een passende afsluiting zoals "À bientôt" of "Bisous."