Hoofdstuk 14 - In de sportschool

In de sportschool
Dialoog met pauzes
  • informatie vragen
  • zullen - waarschijnlijkheid
  • futurem
  • uitspraak oe - u - uu

1 / 31
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsBeroepsopleiding

Cette leçon contient 31 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 120 min

Éléments de cette leçon

In de sportschool
Dialoog met pauzes
  • informatie vragen
  • zullen - waarschijnlijkheid
  • futurem
  • uitspraak oe - u - uu

Slide 1 - Diapositive

inschrijven
speciaal
conditie
waarschijnlijk
meedoen
gewicht
Opdracht 1

Slide 2 - Diapositive

Welke sport zie je?
sleep naar het plaatje.
Welke sport zie je? Sleep naar het plaatje.

Slide 3 - Diapositive

judo
schoon-springen
gewicht-heffen
honkbal
waterpolo
korfbal
boog-schieten
turnen
boksen
wielrennen
schermen
voetbal

Slide 4 - Question de remorquage

judo
schoon-springen
gewicht-heffen
honkbal
waterpolo
korfbal
boog-schieten
turnen
boksen
wielrennen
schermen
voetbal

Slide 5 - Question de remorquage

Welke sport zie je?
sleep naar het plaatje.
Wat hoort bij welk plaatje? Sleep het woord naar het plaatje.
Plaatje 2 heeft 2 goede antwoorden.

Slide 6 - Diapositive

Johan Cruijff
Steven Berghuis
Ruud Gullit
honkbal
Arjen Robbe
korfbal
boog-schieten
turnen
Virgil van Dijk
wielrennen
schermen
voetbal

Slide 7 - Question de remorquage

Welke sport zie je?
sleep naar het plaatje.
Opdracht 2
Praten over sporten.
Welke plaatjes en sporten horen bij elkaar?
Zoek bij vijf plaatjes de naam van de sport.

Voorbeeld: plaatje 4 en plaatje 8 horen bij elkaar. Het zijn allebei balsporten.

Slide 8 - Diapositive

Slide 9 - Diapositive

Extra opdracht: hoe heten deze sporten?

Slide 10 - Diapositive

sprinten
roeien
badminton
honkbal
handbal
boksen
wielrennen
paardrijden
schermen
voetballen
turnen
gewichtheffen
basketbal / korfbal
vechtsport / judo
vechtsport / ?
schietsport
boogschieten
hardlopen
zeilen
volleybal
zwemmen
tennis
tafeltennis

Slide 11 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling

Slide 12 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling

Slide 13 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling

Slide 14 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling

Slide 15 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling

Slide 16 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.
Reflexieve werkwoorden herhaling

Slide 17 - Diapositive

Bedenk een zin of vraag bij de afbeelding. 
Gebruik de gegeven woorden.

Slide 18 - Diapositive

Opdracht 5
Gebruik: 
Kun je me (misschien) zeggen ....?
Weet je (misschien) (ook?)

Slide 19 - Diapositive

zullen
opdracht 7

Zal ik spaghetti carbonara maken?


Ik zal spaghetti carbonara maken


Ze zal wel spaghetti carbonara gemaakt hebben.
Voorstel
Belofte
Waarschijnlijkheid

Slide 20 - Diapositive

zullen - waarschijnlijkheid
één werkwoord
Ze komt nog. →
Ze zal nog wel komen.
twee werkwoorden
Ze kan het adres wel vinden. → 
Ze zal het adres wel kunnen vinden.
perfectum
Ze heeft te veel gegeten. → 
Ze zal wel te veel gegeten hebben.
Voorstel
Zal ik spaghetti carbonara maken?
Belofte
Ik zal spaghetti carbonara maken
Waarschijnlijkheid
Ze zal wel spaghetti carbonara gemaakt hebben.

Slide 21 - Diapositive

1. presens + tijdsaanduiding (standaard)
Je vertelt over een tijd die nog moet komen.
2. werkwoord gaan + infinitief 
3. werkwoord zullen + infinitief 
Je vertelt over een plan of een intentie.
Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.

Slide 22 - Diapositive

Slide 23 - Diapositive

Komende zondag werk ik van 10.30 uur tot 14.00 uur.
Volgende week trouwt mijn broer. 
In augustus word ik 50.
Wat doe jij...
morgen?
volgende week?
na de feestdagen?
1. presens + tijdsaanduiding (standaard)
Je vertelt over een tijd die nog moet komen.

Slide 24 - Diapositive

2. werkwoord gaan + infinitief 
Mark gaat biologie studeren.
Mijn broer gaat trouwen.
Ik ga mijn 60ste verjaardag vieren.
Je vertelt over een plan of een intentie.
Wat doe jij...
morgen?
volgende week?
na de feestdagen?

Slide 25 - Diapositive

3. werkwoord zullen + infinitief 
De voorstelling zal om acht uur precies beginnen. 

Volgend jaar zal mijn broer trouwen.
Ik zal mijn verjaardag vieren.
Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.
Wat doe jij...
morgen?
volgende week?
na de feestdagen?

Slide 26 - Diapositive

Komende zondag werk ik van 10.30 uur tot 14.00 uur.
1. presens + tijdsaanduiding (standaard)
Je vertelt over een tijd die nog moet komen.
2. werkwoord gaan + infinitief 
Mijn broer gaat trouwen.
3. werkwoord zullen + infinitief 
De voorstelling zal om acht uur precies beginnen. 

Je vertelt over een plan of een intentie.
Het gaat bijna zeker gebeuren. Formele context.
Opdracht 8

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Vidéo

Maak opdracht 10 en 11

Slide 29 - Diapositive

Slide 30 - Diapositive

uitspraak oe - u - uu

Slide 31 - Diapositive