SpAmfi 2703

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?


Canción
verbos regulares (ar-er-ir)
los posesivos

Semana 13
1 / 41
suivant
Slide 1: Diapositive
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

Cette leçon contient 41 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 80 min

Éléments de cette leçon

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?


Canción
verbos regulares (ar-er-ir)
los posesivos

Semana 13

Slide 1 - Diapositive

El presente: verbos regulares

Slide 2 - Diapositive

Leerdoel
  • Ik kan de regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 3 - Diapositive

verbos regulares
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
hablar
hablo
hablas
habla
hablamos
habláis
hablan
comer
como
comes
come
comemos
coméis
comen
vivir
vivo
vives
vive
vivimos
vivís
viven
praten
eten
wonen/leven
Leerdoel: werkwoorden

Slide 4 - Diapositive

De 3 stappen voor het vervoegen van regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd: 
HAKKEN
TELLEN
PLAKKEN
HABLAR 
HABL
TÚ = DE 2E PERSOON
AS = DE TWEEDE UITGANG 
HABLAS
HABLAS = 
JIJ PRAAT

Slide 5 - Diapositive

Stappen om te vervoegen
  • Elke werkwoord in het Spaans heeft een familie: -ar -er of -ir
  • Vind de stam door -ar, -er of -ir eraf te halen
  • plaats de bijbehorende uitgang achter de stam

Slide 6 - Diapositive

Leerdoel
  • Ik kan de werkwoorden SER, TENER en LLAMARSE in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 7 - Diapositive

Werkwoorden
Ser = zijn
  • Nationaliteit,
  • naam,
  • afkomst (ser de)
  •  familieband,
  • beroep


Tener = hebben
  • bezit (bij dingen en mensen (bijvoorbeeld familieleden)
  • leeftijd


llamarse = heten
  • naam 


Slide 8 - Diapositive

llamarse
Escribe 3 veces
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 9 - Diapositive

    Ser    

soy
eres
es
somos
sois
son

yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 10 - Diapositive

                  tener 

tengo
tienes
tiene
tenemos
tenéis
tienen

yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 11 - Diapositive

Kijk naar deze zinnen
1. Mi madre ............... Milagros y ................... 43 años.
2. Yo ................ de Fuerteventura y ................. dos hermanos.
3. Nosotros ......... holandeses.
4. Juan y Dolores ............... de Madrid, ................ españoles.
5. Yo ..................... quince años y ....... Isabel.
6. Tú ................... David y ............... dos abuelas. 

Slide 12 - Diapositive

Vul de juiste vorm van ser, tener of llamarse in

Geen hoofdletters, geen komma's

Slide 13 - Diapositive

1. Mi madre ............... Milagros y ................... 43 años.

Slide 14 - Question ouverte

2. Yo ................ de Fuerteventura y ................. dos hermanos.

Slide 15 - Question ouverte

3. Nosotros ......... holandeses.

Slide 16 - Question ouverte

4. Juan y Dolores ............... de Madrid, ................ españoles.

Slide 17 - Question ouverte

5. Yo ..................... quince años y ....... Isabel.

Slide 18 - Question ouverte

6. Tú ................... David y ............... dos abuelas.

Slide 19 - Question ouverte

standaardzinnen
zinsopbouw

Slide 20 - Diapositive

Slide 21 - Lien

Leerdoel
  • Ik ken de bezittelijke voornaamwoorden in het Spaans en ik kan ze gebruiken

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Met de bezittelijke voornaamwoorden kun ik zeggen en begrijpen van wie iets/iemand is. 
Bijvoorbeeld: Esta es mi madre. - Dit is mijn moeder.

Slide 22 - Diapositive



Met het bezittelijk voornaamwoord kun je aangeven van wie iets/iemand is.
Je kan er bijvoorbeeld:
  1. jouw familie mee beschrijven.
  2. vragen wat iemands favoriete....... is en om daarop te antwoorden.
  3. Naar persoonlijke informatie vragen
  1. Mi familia es grande. 
Mis padres se llaman Enrique y Ana.

2. ¿ Cuál es tu animal favorito?
Mi animal favorito es el león.

3. ¿Cuál es tu número de teléfono?
Mi número de teléfono es el 06-12345678
¿Cuál es tu dirección? 


Wat kan ik met de bezittelijke voornaamwoorden?

Slide 23 - Diapositive

weet je nog?
Weet je nog?
Wat kun je ook alweer hiermee?

Slide 24 - Diapositive

Bezittelijk vnw.
mijn
jouw
zijn/haar/uw
ons/onze
jullie
hun/uw
mi
tu
su
nuestro
vuestro
su
mi
tu
su
nuestra
vuestra
su
mis
tus
sus
nuestros
vuestros
sus
mis
tus
sus
nuestras
vuestras
sus
enkelvoud
meervoud
mnl.
mnl.
vr.
vr.
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Welke verschillen zien jullie?

Slide 25 - Diapositive

Leerdoel: bezittelijk vnw.

Slide 26 - Diapositive

__________ (haar) casa

Slide 27 - Question ouverte

Esta es _______ amiga.
A
mi
B
mis

Slide 28 - Quiz

¿Dónde están ________ libros?
A
tu
B
tus

Slide 29 - Quiz

__________ abuela es muy simpática.
A
nuestro
B
nuestra

Slide 30 - Quiz

__________ mochilas están en la clase.
A
vuestros
B
vuestras

Slide 31 - Quiz

___________ amigos están en casa.
A
su
B
sus

Slide 32 - Quiz

__________ alumnos están en casa.
A
nuestros
B
nuestras

Slide 33 - Quiz

_____________ (onze) abuela

Slide 34 - Question ouverte

____________ (jouw) libros

Slide 35 - Question ouverte

___________ (jullie) padres

Slide 36 - Question ouverte

___________ (mijn) hermano

Slide 37 - Question ouverte

___________(hun) profesora

Slide 38 - Question ouverte

__________ (zijn) hijos

Slide 39 - Question ouverte

___________(onze) tía

Slide 40 - Question ouverte

Vertaal de volgende zinnen
  1. Mijn oom heet Juan. 
  2. Zijn opa is net als ik.
  3. Onze broers hebben een zus.
  4. Hun ouders zijn 50 jaar.
  5. Jullie kleinkinderen hebben een opa en een oma.
  6. Jouw vrouw heeft een grote familie.

Slide 41 - Diapositive