Unit 3+4 grammar 3k

Welcome

1 / 35
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

Cette leçon contient 35 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Welcome

Slide 1 - Diapositive

Lesdoelen : 
Je weet wat er in de toetsweek getoetst gaat worden
  • Je kent het verschil tussen some / any - kan dit toepassen
  • Je weet wanneer je will / won't / shall moet gebruiken 
  • Je weet wat de past continuous is en hoe je het moet toepassen
  • Je weet wat de past simple is en hoe je het moet toepassen
  • Je weet wanneer je did / didn't moet gebruiken
  • Je kan zinnen vertalen naar het Engels aan de hand van bovenstaande grammatica

Slide 2 - Diapositive

  • Preparing for the test week
  • Repeating grammar unit 3/4
  • Worksheet
  • Socrative
Planning

Slide 3 - Diapositive

  • Homework worksheet 
Nakijken
  • Worksheet writing
  • Socrative --> als je het nog niet af hebt
Planning

Slide 4 - Diapositive

Wat komt er in de toets?
  • If / when
  • Some / any 
  • Shall / will / won't
  • Past simple + onregelmatige werkwoorden 
  • Schrijfopdracht

Slide 5 - Diapositive

If / When
IF

Het betekent als, mits, op voorwaarde dat  en of (niet zeker dat iets gaat gebeuren)
If I win the lottery, I will buy a boat. 
If  the weather is nice, I will go to the beach.

When
Je gebruikt when voor situaties waarvan je zeker bent dat ze zullen gaan gebeuren. Het betekent wanneer of toen. (zeker dat iets gaat gebeuren)
When I get home, I won't do my homework


Slide 6 - Diapositive

........he arrives on time, he can join us.
A
When
B
If

Slide 7 - Quiz

...... she came home I was watching TV.
A
When
B
If

Slide 8 - Quiz

...... I am older I will move to Spain.
A
When
B
If

Slide 9 - Quiz

................it rains we can't go outside.
A
When
B
If

Slide 10 - Quiz

Shall / will
Je gebruikt will: 
- om te voorspellen dat iets gaat gebeuren
- om aan te bieden iets te doen.
Will+ hele werkwoord
I will carry that for you.

Will + not = won't  -  He won't help us. 

Bij vragen met I/ We gebruik je shall. 
Shall I help you with that?
Shall we go out tonight? 

maar: Will you do that for me please? 

Slide 11 - Diapositive

He ............. be working that week. He'll be on vacation.
A
will
B
won't
C
shall

Slide 12 - Quiz

Sarah..................help us. She is so kind.
A
will
B
won't
C
shall

Slide 13 - Quiz

They ...........help us. They are too busy.
A
will
B
won't
C
shall

Slide 14 - Quiz

Tommy ...... come over tonight. Do we have snacks?
A
will
B
won't
C
shall

Slide 15 - Quiz

....... I help you with your homework?
A
will
B
won't
C
shall

Slide 16 - Quiz

........... they be on time?
A
will
B
won't
C
shall

Slide 17 - Quiz

Verleden tijd - Past simple
Regelmatige werkwoorden eindigen in de verleden tijd op -ed
I worked hard yesterday.
She walked to school last week.
He married her two years ago (y - ied)

Onregelmatige werkwoorden - Deze werkwoorden moet je uit je hoofd leren
See - saw
Hear - heard 
Know - knew
To be - was/were
go - went 




Slide 18 - Diapositive

My brother (cry) all night.

Slide 19 - Question ouverte

He (change) his phone number last month.

Slide 20 - Question ouverte

did / didn't 
Als je vragen moet maken in de verleden tijd gebruik je did.
Als je een ontkenning moet maken gebruik je didn't.

I walked to school yesterday.
Did I walk to school yesterday?
I didn't walk to school yesterday.

Let op! Je werkwoord mag dan niet meer in de verleden tijd staan!

Slide 21 - Diapositive

Maak een vraagzin : You remembered my birthday.
A
Did you remembered my birthday?
B
Didn't you remembered my birthday?
C
Did you remember my birthday?
D
Didn't you remember my birthday?

Slide 22 - Quiz

She walked to school.
A
Did she walked to school?
B
Did she walk to school?
C
Didn't she walk to school?
D
Didn't she walked to school?

Slide 23 - Quiz

Verleden tijd van (go)
(onregelmatige werkwoord)
A
goed
B
going
C
went
D
gone

Slide 24 - Quiz

Bij regelmatige werkwoorden komt er ........ achter het werkwoord.
A
ed
B
de
C
end
D
ing

Slide 25 - Quiz

Wat is de verleden tijd van to be
(onregelmatig)
A
was
B
was/were
C
were
D
been

Slide 26 - Quiz

some / someone/ somewhere / something

  • Bevestigende zinnen.
  • Als je weet dat het antwoord ja is.


I have some sweets in my bag. 
Do you want someone to help you?
I want to go somewhere far away.
Do you want to eat something nice?


any / anyone / anywhere/ anything

  • Als er (not) in de zin staat.
  • Als je weet dat het antwoord nee is. 


I don't have any friends.
I can't find anyone at home.
I can't find my phone anywhere.
Do you want anything else after dinner?

Slide 27 - Diapositive

There is ____ fruit, but there isn't _____ bread.
A
some, some
B
some, any
C
any, some
D
any, any

Slide 28 - Quiz

Is there _____ sugar? I can’t see _____ .
A
any, any
B
some, some
C
some, any
D
any, some

Slide 29 - Quiz

Past continuous
Iets heeft in het verleden een tijdje geduurd.

  • HOE?      was / were + werkwoord + ing

I was drinking tea when my mom called me. 
They were laughing when he fell off his chair.


Slide 30 - Diapositive

Wat past het beste in de zin?

They didn't do ..... to help the victim.
Kies uit: some - any - something - anything - someone - anyone - somewhere - anywhere

Slide 31 - Question ouverte

Have you got .... idea where my keys are?

Kies uit: some - any - something - anything - someone - anyone - somewhere - anywhere

Slide 32 - Question ouverte

Meavi is .... in the schoolbuilding.

Kies uit: some - any - something - anything - someone - anyone - somewhere - anywhere

Slide 33 - Question ouverte

Let's get to work!
1. Worksheet 
2. socrative oefentoets 
www.socrative.com
login --> student login--> room name --> SLEYMAN
done? --> Test jezelf (onderdeel wat nog niet lukt)

Homework: Socrative and worksheet -  morgen!


Slide 34 - Diapositive

socrative oefentoets
www.socrative.com
login --> student login--> room name --> SLEYMAN
done? --> test jezelf onderdeel wat nog niet lukt.

Slide 35 - Diapositive