3.3 lezen en 3.5 woorden 1 kgt herhaling

Talent 3.3 lezen en 3.5 woorden
1 / 28
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsBeroepsopleidingMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

Cette leçon contient 28 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Talent 3.3 lezen en 3.5 woorden

Slide 1 - Diapositive

Doel van deze les
Herhaling en oefenen Lezen 3.3 en Woorden 3.5 voor de toets.
Wat moet je kennen en kunnen:
Alinea's, kernzinnen en toelichting, hoofdzaken en bijzaken, onderwerp van een tekst, tekstverbanden: opsomming en tegenstelling en de signaalwoorden die daarbij horen.
En je moet weten wat tegenstellingen zijn en welke voor- en achtervoegsels daarbij horen.

Slide 2 - Diapositive

Alinea's

Slide 3 - Diapositive

Alinea's bestaan uit...
  • Zinnen die bij elkaar horen.
  • Zinnen die over hetzelfde deelonderwerp gaan.

De inleiding is een alinea.
De kern bestaat vaak uit meer alinea's.
Het slot is een alinea.
Dus minimaal 3 alinea's!

Slide 4 - Diapositive

Na het filmpje:
  • Wat is een deelonderwerp?
  • Wat is een alinea?
  • Hoe herken je een alinea?
  • Wat is het nut van alinea's?

Slide 5 - Diapositive

Hoeveel alinea's?
Hoeveel alinea's heeft deze tekst?

Slide 6 - Diapositive

KERNZIN
Elke alinea heeft een kernzin.

Dat is de belangrijkste zin uit de alinea. Je kunt deze zin niet weglaten. Anders begrijp je de tekst niet meer.

Het is vaak de eerste of laatste zin van een alinea.

Slide 7 - Diapositive

Wat is hier de kernzin?

Slide 8 - Diapositive

Wat is de kernzin in dit stukje tekst?
Emoji zijn symbolen die emoties of plaatjes weergeven. Je kunt er sneller informatie mee overbrengen dan met tekst. Er verschijnen regelmatig nieuwe emoji. Zo kun je tegenwoordig mango's, lama's en skateboards versturen.

Slide 9 - Question ouverte

Wat is de toelichting in dit stukje tekst?
Emoji zijn symbolen die emoties of plaatjes weergeven. Je kunt er sneller informatie mee overbrengen dan met tekst. Er verschijnen regelmatig nieuwe emoji. Zo kun je tegenwoordig mango's, lama's en skateboards versturen.

Slide 10 - Question ouverte

Hoofdzaken en bijzaken
De belangrijke informatie in een tekst noem je de hoofdzaken.
Wat niet zo belangrijk is zijn de bijzaken.

Slide 11 - Diapositive

Hoofdzaken
Belangrijke informatie over het onderwerp van de tekst.

  • Inleiding
  • Slot
  • Kernzinnen
  • Signaalwoorden
  • Verbanden
Bijzaken
Minder belangrijke informatie, maken de hoofdzaken duidelijker.
  • voorbeeld
  • herhaling
  • uitleg
  • cijfers
  • details

Slide 12 - Diapositive

Bijzaken
Hoofdzaken
Kerzinnen
Toelichting
Voorbeelden
De belangrijkste zinnen van de alinea's.
Vormen samen de samenvatting van de tekst.
Minder belangrijke zaken

Slide 13 - Question de remorquage

Sleep de zin naar het juiste antwoord
WAAR
NIET WAAR
Alle belangrijke informatie die over een onderwerp wordt gegeven, noem je hoofdzaken.
Minder belangrijke dingen noem je bijzaken.
Hoofdzaken maken de tekst duidelijker, leuker of beter te begrijpen
Bijzaken staan meestal aan het begin of aan het eind van een tekst

Slide 14 - Question de remorquage

Tekstverbanden
Tussen woorden, zinnen en alinea's bestaat een verband. Dit noemen we een tekstverband.
Zonder tekstverbanden is je tekst niet 'stevig'.

Slide 15 - Diapositive

Welk tekstverband hebben we al geleerd?

Slide 16 - Question ouverte

Herhaling tekstverbanden
Je hebt dit jaar al 1 tekstverband geleerd:

tekstverband
signaalwoorden
opsomming
als eerste, daarna, bovendoen, daarnaast, vervolgens, ook, tot slot

Slide 17 - Diapositive

Een voorbeeld van een tekstverband:  opsommening  Signaalwoorden zijn: en, ook, bovendien.
Signaalwoorden

Slide 18 - Diapositive

Verband: tegenstelling
Op de basisschool heb je al vaak tegenstellingen geleerd, bijvoorbeeld jong en oud, dik en dun.  Dat hebben we soms ook in een tekst! 

Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, toch, integendeel

De weerman vertelde dat het vandaag mooi weer zou worden, maar het regende de hele dag! 

Slide 19 - Diapositive

Signaalwoorden tegenstelling
  • maar
  • echter
  • daarentegen
  • toch
  • integendeel 

Slide 20 - Diapositive

Wat is in deze zin het signaalwoord?

Ik zat daar te wachten, toch verveelde ik me niet.
A
toch
B
niet
C
zat
D
ik

Slide 21 - Quiz

Signaalwoorden
Tegenstelling
Opsomming
maar
en
toch
ook
tot slot
integendeel
zodra
echter
daarnaast
bovendien

Slide 22 - Question de remorquage

Tegenstelling zoeken
Nieuwe games zijn vaak prijzig, maar in de uitverkoop zijn ze goedkoop.

prijzig/duur
goedkoop / voordelig

Slide 23 - Diapositive

Voorvoegsel en achtervoegsel
Sommige woorden krijgen een tegengestelde betekenis door er een voorvoegsel of achtervoegsel aan te plakken.

Voorvoegsels on- en anti- betekenen niet of tegen
onopvallend
onbetaalbaar
onjuist
onwaarschijnlijk
onbekend

Slide 24 - Diapositive

Voorvoegsel en achtervoegsel
Achtervoegsels -loos betekenen zonder
kinderloos
kansloos
merkloos
Let op: niet alle woorden die beginnen met on-, geven een tegenstelling aan: 
onderneming, onderwijzer

Slide 25 - Diapositive

De weg naar het centrum is breed, maar de weg naar mijn huis is ...

Slide 26 - Question ouverte

Ik poets mijn tanden voor mijn ontbijt, maar Elias doet dat ....

Slide 27 - Question ouverte

Aan de slag met:


Lezen 3.3 Test jezelf
Woorden 3.5 Test jezelf
Woordentrainer
Klaar oefen dan nogmaals een paar opdrachten van beide paragrafen.

Slide 28 - Diapositive