Vind de fouten in de zinnen!
1.Ik vind dat
de koning moet weggaan/ weg
moet.
2.Ik vind dat de koning door het volk gekozen moet worden.
Ik vind dat het volk de koning moet kiezen.
3.Morgen ga ik met mijn vriend naar de bioscoop.
4.Mijn moeder werkt in een ziekenhuis en zorgt voor patiënten.
5.Als het mooi weer is, ( dan) gaan we naar het strand.
6.Ik heb een nieuwe telefoon gekocht, maar ik weet niet hoe hij /die werkt.
7.Vorige week hebben we een leuk feestje gehad bij Anna thuis.
8.De kinderen spelen in het park, terwijl hun ouders op de bank zitten .
dat-zinnen = ik denk dat , ik geloof dat, ik ben van mening dat
ik weet niet wanneer Peter vandaag komt
ik weet niet hoe laat de trein naar Amsterdam vertrekt.