3F Lezen Tekstverbanden en signaalwoorden (2.7)

Nederlands les 2.7
1 / 41
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMBOStudiejaar 1

Cette leçon contient 41 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

Éléments de cette leçon

Nederlands les 2.7

Slide 1 - Diapositive

Wat gaan we doen?
Lezen hoofdstuk 2 De opbouw  van teksten
§2. 1 De indeling van teksten                             (kort herhalen theorie)
§2.2 Deelonderwerpen herkennen                 (kort herhalen theorie)
§2.3 Tekstverbanden en signaalwoorden    (uitleg en oefenen)

Weektaken         : §2.3 lesopgaven maken en de oefentoets bij h2
 + duovlog maken & inleveren  21 januari 16.00

!! toets Lezen hoofdstuk 2 eerste les periode 3

Slide 2 - Diapositive

Slide 3 - Vidéo

Lesdoel



Aan het eind van deze les ken je minimaal vier verbanden met de bijbehorende signaalwoorden.

Slide 4 - Diapositive

Wat weet je al van signaalwoorden?

Slide 5 - Question ouverte

Maar, hoewel, toch
eerst
daarna
vervolgens
toen
nu

omdat
want
daarom
doordat
waardoor
zodat
ten eerste
ook
en
bovendien
tegenstelling
volgorde van tijd

reden
oorzaak
gevolg
opsomming

Slide 6 - Question de remorquage

Tekstverbanden en signaalwoorden







Wat zijn tekstverbanden en signaalwoorden?



Slide 7 - Diapositive

Tekstverbanden
De bouwstenen van een tekst worden door tekstverbanden aan elkaar verbonden. De schrijver gebruikt hiervoor signaalwoorden.

Slide 8 - Diapositive

Tekstverbanden
De signaalwoorden kunnen het verband aangeven tussen in één zin, tussen twee zinnen of tussen twee alinea's

Slide 9 - Diapositive

Welke vier tekstverbanden moet je kennen!

Er zijn nog meer tekstverbanden. Dit zijn voorlopig de belangrijkste.
  1. Opsomming
  2. Tegenstelling
  3. Oorzaak - gevolg
  4. Reden, verklaring, argument

Slide 10 - Diapositive

Wat is een signaalwoord?
• Verbindingswoorden 
•Signaalwoorden geven het verband aan tussen zinsdelen, zinnen en alinea’s

Slide 11 - Diapositive

Opsomming

Een voetbalteam bestaat uit: een keeper, verdedigers, middenvelders, aanvallers, een coach, wisselspelers en een verzorger.


Signaalwoorden zijn:

ten eerste, ten tweede, om te beginnen, ook (nog), verder, ten slotte, en.

Maar ook: dubbele punt (:); liggende streepjes (-); getallen (1,2,3); dots.

Slide 12 - Diapositive

Opsomming
En, ook, ten eerste, ten tweede, vervolgens

Slide 13 - Diapositive

Bedenk een goede Nederlandse zin met een opsomming daarin.

Slide 14 - Question ouverte

tegenstelling

Vanmorgen moest ik vroeg opstaan, maar morgen kan ik uitslapen.


 Signaalwoorden zijn:

tegenover, maar, hoewel, echter, toch, aan de ene kant...aan de andere kant.

Slide 15 - Diapositive

Bedenk een goede Nederlandse zin met het signaalwoord 'toch' of 'hoewel'

Slide 16 - Question ouverte

Oorzaak – gevolg
Door, doordat, waardoor, te danken aan

Slide 17 - Diapositive

Bedenk een goede Nederlandse zin met het signaalwoord 'doordat' of 'als gevolg van'

Slide 18 - Question ouverte

Wat is in de volgende zin een signaalwoord en hoe noem je het tekstverband?
Ik ben te laat, omdat ik me heb verslapen.

Slide 19 - Question ouverte

Verklaring / argument
Want, omdat, daarom, vanwege, immers,

Slide 20 - Diapositive

Tekstverbanden
• Tegenstelling
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld

• Oorzaak-gevolg
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld

Slide 21 - Diapositive

Tekstverbanden
• Voorbeeld
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld


• Opsomming
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld

Slide 22 - Diapositive

Tekstverbanden
• Middel-doel
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld

• Conclusie
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld

• Voorwaarde
Signaalwoorden?
Geef een voorbeeld

Slide 23 - Diapositive

Theorie signaalwoorden
(kijk ook op blz.208 in theorieboek A)

Slide 24 - Diapositive

"Onregelmatige werktijden, de hitte en de hectiek van de keuken, het contact met gasten, dat kun je op school niet nabootsen."

Welk verband kom je hierboven tegen?
timer
0:20
A
tegenstelling
B
opsomming
C
voorbeeld
D
geen verband

Slide 25 - Quiz

"Het leerbedrijf waar je stage gaat lopen, is niet verplicht je een vergoeding te betalen. Maar in de praktijk doen leerbedrijven dit meestal wel.

Welk verband kom je hierboven tegen?
timer
0:20
A
Opsomming
B
tegenstelling
C
geen verband
D
voorbeeld

Slide 26 - Quiz

Vandaag leer je verschillende vormen van migratie. Denk bijvoorbeeld aan emigratie.

Welk signaalwoord kom je hierboven tegen?
timer
0:20
A
migratie
B
verschillende
C
denk....aan
D
bijvoorbeeld

Slide 27 - Quiz

Welk verband staat in deze zin?
Zijn vriendin daarentegen is wel heel erg aardig.
timer
0:20
A
Opsomming
B
Oorzaak-gevolg
C
Conclusie
D
Tegenstelling

Slide 28 - Quiz

Welk verband staat in deze zin?
In de winkel haal ik brood en melk.
timer
0:20
A
Opsomming
B
Tegenstelling
C
Middel-doel
D
Voorwaarde

Slide 29 - Quiz

Welk verband staat in deze zin?
In de winkel haal ik brood en melk.
timer
0:20
A
Opsomming
B
Tegenstelling
C
Middel-doel
D
Voorwaarde

Slide 30 - Quiz

Welk verband staat in deze zin?
Doordat het al dagen regent, staan de weilanden onder water.
timer
0:20
A
Opsomming
B
Oorzaak-gevolg
C
Conclusie
D
Tegenstelling

Slide 31 - Quiz

Tekstverband: VOORWAARDE
(= iets waaraan je moet voldoen)
timer
0:20
A
mits
B
waardoor
C
omdat
D
alles bij elkaar

Slide 32 - Quiz

Tekstverband: OPSOMMING
timer
0:20
A
evenals
B
alles bij elkaar
C
al met al
D
zoals

Slide 33 - Quiz

Tekstverband: UITLEG OF TOELICHTING
timer
0:20
A
zoals
B
samenvattend
C
met andere woorden
D
tenzij

Slide 34 - Quiz

Signaalwoord: TEN EERSTE........TEN TWEEDE
timer
0:20
A
middel-doel
B
opsomming
C
oorzaak-gevolg
D
tegenstelling

Slide 35 - Quiz

Tekstverband: SAMENVATTING
timer
0:20
A
kortom
B
alles overziend
C
met dat doel
D
daarentegen

Slide 36 - Quiz

Tekstverband: TEGENSTELLING
timer
0:20
A
al met al
B
daar staat tegenover
C
zoals
D
waardoor

Slide 37 - Quiz

Welke vier tekstverbanden en daarbij behorende signaalwoorden weet je nu?

Slide 38 - Question ouverte

Weektaak
  • §2.3: Maak 1, 2 en de examenopdracht (lez2) in Nu Nederlands online
  • Maak de oefentoets van hoofdstuk 2 lezen
  • afmaken duovlog van het samengelezen boek (inleveren op 21 januari 16.00)  

toets Nederlands lezen H2 in de eerste les na de toetsweek

Slide 39 - Diapositive

Vragen?
vragen?

Slide 40 - Diapositive

Slide 41 - Vidéo