V4 Argumenteren les 3

Argumenteren  §3
Argumentatieschema's 
Argumentatieschema benoemt het verband tussen het standpunt en het argument

1. Op basis van autoriteit
2. Op basis van kenmerk/eigenschap
3. Op basis van oorzaak en gevolg
4. Op basis van vergelijking
5. Op basis van voorbeelden
6. Op basis van voor- en nadelen 


1 / 45
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

Cette leçon contient 45 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 35 min

Éléments de cette leçon

Argumenteren  §3
Argumentatieschema's 
Argumentatieschema benoemt het verband tussen het standpunt en het argument

1. Op basis van autoriteit
2. Op basis van kenmerk/eigenschap
3. Op basis van oorzaak en gevolg
4. Op basis van vergelijking
5. Op basis van voorbeelden
6. Op basis van voor- en nadelen 


Slide 1 - Diapositive

argumentatie/ redenering

Het geheel van standpunt en argumenten wordt een argumentatie of redenering genoemd.


Slide 2 - Diapositive

Lesdoel
Je kan het verband tussen standpunt en argument 
herkennen, benoemen en toepassen.

Slide 3 - Diapositive

Even herhalen: wisbordje
Schrijf op wat volgens jou het verschil is tussen argumentatiestructuren en argumentatieschema's.


Slide 4 - Diapositive

argumentatieschema

Argumentatiestructuur: de manier waarop argumenten aan een standpunt hangen --> 4 basisstructuren

Argumentatieschema's: soorten argumentatie --> 6 argumentatieschema's

Slide 5 - Diapositive

Argumentatieschema's 
Het soort verband tussen standpunt en argumenten

Van fietsen word ik moe,
dus ga ik altijd met de auto 

De lessen Nederlands zijn erg leuk
Neem bijvoorbeeld deze les over argumenteren 
oorzaak-gevolg
voorbeelden

Slide 6 - Diapositive

Zes argumentatieschema's
  1. Autoriteit
  2. Vergelijking
  3. Voorbeeld
  4. Kenmerk of eigenschap
  5. Oorzaak-gevolg
  6. Voordelen- nadelen

Slide 7 - Diapositive

quiz
Welk argumentatieschema wordt gebruikt in de volgende argumentaties/ redeneringen?

Slide 8 - Diapositive

Natuurlijk is hij tegen de bio-industrie: hij is vegetariër.
A
Voordelen-nadelen
B
Vergelijking
C
Kenmerk-eigenschap
D
Oorzaak-gevolg

Slide 9 - Quiz

Volgens Willem van Haneghem moest Feyenoord meer investeren in jonge voetballers. Daarom is de jeugdopleiding van de club grondig aangepakt.
A
Voordelen-nadelen
B
Kenmerk of eigenschap
C
Vergelijking
D
Autoriteit

Slide 10 - Quiz

Computergames kunnen een slechte invloed hebben op studieresultaten. Kijk maar naar mijn broertje: door de games komt hij niet meer aan zijn huiswerk toe.
A
Voorbeeld
B
Oorzaak-gevolg
C
Vergelijking
D
Autoriteit

Slide 11 - Quiz

Hoe kun je nou denken dat je een goed cijfer gaat halen? Je bent gisteren pas begonnen met leren.
A
Autoriteit
B
Oorzaak-gevolg
C
Voordelen-nadelen
D
Voorbeeld

Slide 12 - Quiz

Mobieltjes zijn verboden tijdens de les, anders hebben de leerlingen totaal geen aandacht voor hetgeen de docent uitlegt.
A
Kenmerk of eigenschap
B
Voordelen-nadelen
C
Vergelijking
D
Oorzaak-gevolg

Slide 13 - Quiz

Ik kan argumentatieschema's herkennen
Ja
Nee
Weet ik nog niet

Slide 14 - Sondage

Autoriteit
Je mag niet door rood rijden.

want dat staat in de wet.

Slide 15 - Diapositive

Autoriteit
Je moet minimaal twee keer per dag je tanden poetsen, 

want dat zegt de tandarts

Slide 16 - Diapositive

Vergelijking
Je kunt best een voldoende halen voor deze toets,

want Abel is het ook gelukt

Slide 17 - Diapositive

Vergelijking
Nederland moet meer investeren in duurzaamheid,

want Duitsland doet dat ook.

Slide 18 - Diapositive

Voorbeeld
Een topfunctie is zeker haalbaar voor Nederlandse vrouwen. 

want er zijn veel vrouwelijke ministers in NL.

Slide 19 - Diapositive

Kenmerk of eigenschap
Raf is een goede zanger,

want hij zingt altijd zuiver.

Slide 20 - Diapositive

Oorzaak - gevolg
Hij heeft een onvoldoende gehaald (gevolg + standpunt),

want hij heeft weer 's niets voorbereid (oorzaak + argument)

Slide 21 - Diapositive

Oorzaak - gevolg
Dit is een gevaarlijke kruising (oorzaak + standpunt), 

want er gebeuren hier veel ongelukken. (gevolg + argument)

Slide 22 - Diapositive

Voordelen-nadelen
Laten we deze zomer met vakantie naar Frankrijk gaan (advies/wens/keuze),
want dan hebben we de grootste kans op mooi weer.
(voordeel/nadeel)

Slide 23 - Diapositive

Voordelen-nadelen
We zouden eigenlijk niet naar het WK moeten kijken, (waarderend standpunt

want er worden mensenrechten geschonden in Qatar; het is geen voetballand en de bouw van zo veel stadions is slecht voor het milieu. (nadelen)

Slide 24 - Diapositive

Huiswerk!
Cursus 2 Argumenteren:
            §3 argumentatieschema's (p. 74)
                      MAAK opdracht 1 en 2  (p. 75 t/m 77), mag ook online

Slide 25 - Diapositive

Standpunt of argument?
Standpunt 

WANT                                     DUS

Argument 

Slide 26 - Diapositive

Iedereen moet twee keer in de week vis eten.

WANT                                     DUS
Het eten van vis is goed voor hart en bloedvaten.

Slide 27 - Diapositive

STANDPUNT
ARGUMENT
De regering moet een landelijk vuurwerkverbod instellen.
De hoge druk op huisartsenposten en spoedeisende hulp in oudjaarsnacht moet omlaag.

Slide 28 - Question de remorquage

Of iets uitgebreider...
Standpunt 
WANT                                     DUS
Argument 
WANT                                      DUS
onderliggend (sub) argument

Slide 29 - Diapositive

Iedereen moet twee keer in de week vis eten.
want , omdat                                   dus, daarom
Het eten van vis is goed voor hart en bloedvaten.
want, omdat                                                 dus, daarom      
Vis bevat gezonde vetzuren die vlees niet bevat.

Slide 30 - Diapositive

Huiswerk af?
1.    § 2  opdracht 3 op p. 71 (in je schrift).
2. samenvatting van de theorie van § 3 op p.74/75.

Slide 31 - Diapositive

terugblik

argumentatiestructuren

Slide 32 - Diapositive

Welke 4 argumentatiestructuren ken je?

Slide 33 - Question ouverte

Enkelvoudige argumentatie
Standpunt
Argument
Onderschikkende argumentatie
Standpunt
Argument
Argument
Nevenschikkend (onafhankelijk)
Standpunt
Argument
Argument
Nevenschikkend (afhankelijk)
Standpunt
Argument
_________
Argument

Slide 34 - Diapositive

Bij welke argumentatiestructuur heb je maar één argument?
A
enkelvoudige argumentatie
B
onderschikkende argumentatie

Slide 35 - Quiz

Welke argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
Nevenschikkende argumentatie

Slide 36 - Quiz

Hoe heet deze argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
nevenschikkende argumentatie met onafhankelijk argument
D
Nevenschikkende argumentatie met afhankelijk argument.

Slide 37 - Quiz

Welke argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
Nevenschikkende onafhankelijke argumentatie
D
Nevenschikkende afhankelijke argumentatie

Slide 38 - Quiz

Welke argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
Nevenschikkende onafhankelijke argumentatie
D
Nevenschikkende afhankelijke argumentatie

Slide 39 - Quiz

Startopdracht 2
Standpunt: Accounts van influencers die fake news verspreiden moeten tijdelijk gedeactiveerd worden

Bedenk nu individueel argumenten; je mag zelf kiezen of je voor of tegen de stelling bent. Je mag kiezen uit een argumentatiestructuur die nevenschikkend onafhankelijk of afhankelijk is. 
timer
5:00

Slide 40 - Diapositive

4 argumentatiestructuren
1. enkelvoudig
2. onderschikkend
3. nevenschikkend met onafhankelijke argumenten
4. nevenschikkend met afhankelijke argumenten

Slide 41 - Diapositive

Argumenteren
- Onderbouwing van een argument 

Signaalwoorden: bijvoorbeeld, dat wil zeggen, denk aan, neem, ter illustratie, zo, zoals. 

Een argument kan zowel voor het standpunt, als achter het standpunt staan. 

Slide 42 - Diapositive

Even oefenen
In het belang van veiligheid, milieu en dierenwelzijn zou de overheid consumentenvuurwerk moeten beperken. Hoewel vuurwerk traditiegetrouw wordt geassocieerd met vieringen, leidt het gebruik ervan tot tal van problemen.

Standpunt?
Argument? 
Tegenargument?
Weerlegging? 
Feitelijk/waarderend? 

Slide 43 - Diapositive

Even oefenen
Een feitelijk argument zou meer gebaseerd zijn op objectieve, controleerbare informatie. 

Bijvoorbeeld, als je zou zeggen "Vuurwerk produceert bepaalde chemische stoffen die schadelijk zijn voor de luchtkwaliteit" en dit feit is wetenschappelijk onderbouwd en aantoonbaar, dan zou dat een meer feitelijk argument zijn.

Slide 44 - Diapositive

Argumenteren, paragraaf 1
Belangrijke begrippen:

- Standpunt: zienswijze, mening of opvatting. 
- Argument: dat wat je gebruikt ter ondersteuning van je standpunt
- Feitelijk: je kan het argument controleren (is het waar of niet?)
- Waarderend: bevat een waardeoordeel (je bent het er mee eens of niet)
- Subargument: bij een waarderend argument, vaak een feitelijk subargument
- Tegenargument: ontkracht het standpunt (of een argument)
- Weerlegging: ontkrachting van een argument 

Slide 45 - Diapositive