WEBB - Wereldeconomie 1.6 t/m 1.11

Welkom
5 vwo ECONOMIE  ||  2024-2025
1 / 30
suivant
Slide 1: Diapositive
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

Cette leçon contient 30 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 40 min

Éléments de cette leçon

Welkom
5 vwo ECONOMIE  ||  2024-2025

Slide 1 - Diapositive

Wat is globalisering?

Slide 2 - Question ouverte

Oorzaken internationale handel
Er is internationale handel omdat landen niet alle producten of diensten 
zelf kunnen produceren of leveren. 

Dit is met name vanwege:
(1) Klimaat: koffie, bananen, avocado, bepaalde vissen.
(2) Grondstoffen/producten/diensten zijn er niet (voldoende): olie, goud, elektriciteit, klei, graan.
(3) (Kost)prijzen zijn lager: sinaasappelen, laptops, kleding, bouwwerkzaamheden.
(4) Kwaliteit beter in het buitenland: smartphones, films en series.
(5) Ruimere keuze: auto's, supermarkt (meerdere soorten van alles).

Slide 3 - Diapositive

EXPORT
IMPORT
Overzicht import en export

Slide 4 - Diapositive

Internationale concurrentiepositie
De internationale concurrentiepositie geeft aan in hoeverre een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.

Slide 5 - Diapositive

Internationale concurrentiepositie
Andersom:

Slide 6 - Diapositive

Absoluut voordeel
Wanneer je specialiseert in een taak of een product ben je daar sneller of goedkoper in dan een ander. Je hebt een absoluut voordeel in geld of tijd

Het absoluut voordeel is daarom altijd een getal 

 



Slide 7 - Diapositive

Absoluut voordeel
Een voordeel in een aantal benodigde uren per jaar

Voorbeeld:


Slide 8 - Diapositive

Absoluut voordeel
Een voordeel in een aantal benodigde uren per week.
Voorbeeld:

Slide 9 - Diapositive

Comparatief voordeel

Marcel heeft bij koken een comparatief voordeel ten opzichte van de kinderen verzorgen. 

Slide 10 - Diapositive

Comparatief voordeel
Maar als je niet de snelste of goedkoopste (absoluut voordeel) bent, kan je nog wel een comparatief voordeel hebben. Dan kies je voor de optie waarin je relatief het kleinste verschil hebt met de ander. 

Het comparatief voordeel is daarom altijd een percentage of een factor

 



Slide 11 - Diapositive

Oefenopgave: berekenen comparatieve kostenverschillen
Er zijn twee landen, A en B, die beide twee goederen consumeren (X en Y). 
Gegeven is wat het kost om de twee goederen in elk land te maken:

Slide 12 - Diapositive

Opofferingskosten

Slide 13 - Diapositive

In welke taak heeft Jo
een comparatief
voordeel?
was
koken
Miep
1,5
2
Jo
2
3
A
was, want 2>3
B
koken, want 3>2
C
was, want 2/ 1,5= +33%
D
koken, want 3/2= +50%

Slide 14 - Quiz


A
Japan op voedsel en NL op computers
B
Japan op computers en NL op voedsel
C
Er is geen comparatief voordeel
D
Nederland heeft geen voordeel

Slide 15 - Quiz

NL Jpn
Computer 25 10
Voedsel 50 40

De opofferingskosten zijn als volgt:
A
NL voedsel: 2 computers Jpn voedsel: 4 computers Jpn computers: 0,25 voedsel
B
NL voedsel: 2 computers Jpn voedsel: 0,25 computers Jpn computers: 4 voedsel
C
NL voedsel: 2 computers Jpn voedsel: 0,25 computers Jpn computers: 4 voedsel
D
NL voedsel: 0,5 computers Jpn voedsel: 0,25 computers Jpn computers: 4 voedsel

Slide 16 - Quiz

Welke stelling is juist of onjuist?
I. Bij een optimale taakverdeling (ieder doet die taak,
waarin hij relatief het beste is) kunnen er 2 uur
bespaard worden t.o.v. de beginsituatie.
II. Er is hier sprake van een comparatief voordeel.
A
Beide zijn juist
B
I is juist II is onjuist
C
I is onjuist II is juist
D
Beide zijn onjuist

Slide 17 - Quiz

Oorzaken comparatieve kostenverschillen
  • Beschikbare hoeveelheid productiefactoren.
  • Kwaliteit productiefactoren.

Slide 18 - Diapositive

Noem de productiefactoren.

Slide 19 - Question ouverte

Arbeid
  • Relatief grote bevolking
    --> prijs van arbeid lager --> loonkosten belangrijk onderdeel van de kostprijs. 
  • Hoogte arbeidsproductiviteit 
    Gemiddelde productie per werknemer per tijdseenheid. 
    Kwaliteit van arbeid (menselijk kapitaal)

Slide 20 - Diapositive

Kapitaal
Natuurlijke hulpbronnen en de aanwezige kapitaalgoederenvoorraad. 
  • Klimaat
  • Aanwezigheid van grondstoffen

Slide 21 - Diapositive

Wat valt onder kapitaal?

Slide 22 - Question ouverte

Kostprijs product
Hoeveel het kost om een product te maken. 
  • Arbeidsproductiviteit, hoeveelheid arbeid, kwaliteit arbeid. 
  • Kwaliteit kapitaal, hoeveelheid kapitaal, schaalvoordelen

Slide 23 - Diapositive

Verzonken kosten 
  • Kosten die zijn gemaakt en die je niet meer kunt terugverdienen als de activiteit wordt gestaakt, omdat er geen andere gebruiksmogelijkheden zijn.
  • Invloed op schaalgrootte en versterken comparatief voordeel. 

Slide 24 - Diapositive

Factorproductiviteit
Factorproductiviteit geeft aan hoe goed arbeid en kapitaal (machines) worden ingezet in een land. 

Factorproductiviteit stijgt door:
Scholing, specialisatie, veel R&D, innovaties, beter milieu, etc...

Slide 25 - Diapositive

Productiestructuur
Rijkere landen
  • Grote hoeveelheden kapitaalgoederen, hooggeschoolde bevolking.
Armere landen
  • Grote hoeveelheden goedkope laaggeschoolde arbeiders vooral arbeidsintensieve productie. 

Slide 26 - Diapositive

Multinational: 
een groot bedrijf dat in meerdere landen economisch actief zijn met de productie en/of verkoop van hun goederen en diensten.

Internationale arbeidsverdeling: Ieder land produceert goederen en diensten waar hij het best of het goedkoopst in is.

Slide 27 - Diapositive

VOC als eerste multinational? 

Slide 28 - Diapositive

Wat verhoogd de factorproductiviteit NIET?
A
corruptie
B
instituties
C
innovatie
D
hoge kwaliteit machines

Slide 29 - Quiz

Aan het werk
Maken 1.6 t/m 1.11
Nakijken
  • Wat heb je goed gedaan?
  • Wat kun je beter doen?
Lees de tekst
  • Onderstrepen
  • Samenvatten

Slide 30 - Diapositive