Week 3 na de kerst

¡Bienvenidos a la clase de Español!
Meneer Gomez
Miércoles, Abril 2 2025
1 / 48
suivant
Slide 1: Diapositive
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 48 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 3 vidéos.

Éléments de cette leçon

¡Bienvenidos a la clase de Español!
Meneer Gomez
Miércoles, Abril 2 2025

Slide 1 - Diapositive

2010662@leerling.vhl.nl
Nienke123!

Slide 2 - Diapositive

Terugblik
...naar vorige les

Slide 3 - Diapositive

OBJETIVOS DOELEN
1. Ik ken het Spaanse onbepaald lidwoord.
2. Ik kan vragen naar persoonlijke informatie en hier antwoord op geven.
3. Ik kan een Spaans zin ontkennend maken
4. Ik ken de persoonlijk naamwoorden in het Spaans.
5. Ik ken de vervoeging van het werkwoord ser, llarmase, tener. 

Slide 4 - Diapositive

La De toets
Wat voor opdrachten zitten er in de toets?

  • Begroenten en afscheid nemen in het Spaans
  • De getallen tot 20
  • Het zelfstandig naamwoord (enkelvoud en meervoud)   
  • Het lidwoord in het Spaans                  

Slide 5 - Diapositive

Wat hebben wij vorige les gedaan?




Slide 6 - Carte mentale

Slide 7 - Vidéo

Leerdoel: Begroeten
Sleep het Spaanse woord naar de Nederlandse vertaling. 
doei
goedemorgen
hallo
tot ziens
goedenavond
goedemiddag
hola
buenos días
buenas tardes
buenas noches
adiós
hasta luego

Slide 8 - Question de remorquage

Leerdoel: Begroeten
Sleep het luisterfragment naar het juiste Spaanse woord. 
adiós
buenos días
hola
hasta luego
buenas noches
buenas tardes

Slide 9 - Question de remorquage

El alfabeto - Het alfabet
a = korte a (bas)
e = korte (bes)
o = korte o (bos)

 i = ie (kies)
u = oe (koe)

Slide 10 - Diapositive

El alfabeto español


Luister naar het Spaanse alfabet en vergelijk het met het Nederlandse alfabet.


Heeft het andere letters? 
Welke?
Abecedario

Slide 11 - Diapositive

Slide 12 - Vidéo

De uitspraak van de Spaanse letters
H = spreek je niet uit
J = spreek je uit als een 'g'
LL = spreek je uit als een 'j'
V = spreek je uit als een 'b'

Slide 13 - Diapositive

Spaanse letters en hun uitspraak

  • c                                 a, o, u      (k)                 Carmen, Colombia, Cuba
  • c                                 e, i           (th)                 centro, cifra
  • z                                 a, o, u     (th)                 zapato, zombi, zumo
  • j                                  a, e, i, o   (g)                  jardín, jefe, jirafa, jota
  • g                                e, i            (zachte g)   Gerona, gitano 
  • g                                a, o, u      (harde g)     gato, gol, guerra 
  • q                                ue, ui       (k)                   queso, química

Slide 14 - Diapositive

Spreek uit de volgende woorden

1. Casa
2. Escuela
3. Profesor
4. Estudiante
5. Gato
6. Jardín
7. Chocolate
8. Coco
9. Zorro
10. ¿Qué?
11. Guitarra
12. Cero
13. Jirafa
14. Hola



Vertaling

Slide 15 - Diapositive

Persoonlijke voornaamwoorden in het Spaans.

Slide 16 - Diapositive

Slide 17 - Diapositive

Slide 18 - Diapositive

Persoonlijke voornaamwoorden
1) Schrijf over in je schrift op deze manier: 

1e persoon (ev)
Ik
2e persoon (ev)
Jij
3e persoon (ev)
Hij/zij/u
1e persoon (mv)
wij
2e persoon (mv)
Jullie
3e persoon (mv)
Zij 

Slide 19 - Diapositive

Vocabulario - Nieuwe woorden

Slide 20 - Diapositive

Presentarte Jezelf voorstellen

Slide 21 - Diapositive

El verbo 'Llamarse'

Slide 22 - Diapositive

Me llamo...

Slide 23 - Diapositive

Jezelf voorstellen

Hoe heet jij?

Ik heet ...
¿Cómo te llamas?


Me llamo .....

Slide 24 - Diapositive

Het zelfstandig naamwoord

Slide 25 - Diapositive

Zelfstandige naamwoorden
Mensen, dieren dingen.

Voor een zelfstandig naamwoord kan je een lidwoord zetten. 

Namen zijn ook zelfstandige naamwoorden. Suzanne en Zwolle zijn dus zelfstandige naamwoorden.

Slide 26 - Diapositive

HET LIDWOORD
Zelfstandige naamwoorden zijn mannelijk of vrouwelijk
Bij een mannelijk zelfstandig naamwoord hoort een mannelijk lidwoord.
Bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord hoort een vrouwelijk lidwoord.
Zet je het woord in meervoud, dan verandert het lidwoord mee.
Bepaald (de / het)
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
el 
la
meervoud
los
las

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Vidéo

Zelfstandige naamwoorden
1. zelfstandige naamwoorden op een -o  eindigen zijn bijna altijd mannelijk
El niño                                     El  chico                                                  El primo
El hermano                           El  abuelo                                            El tío

2. zelfstandige naamwoorden die op een -a eindige zijn (bijna) altijd vrouwelijk
La niña                                  La hija                                                       La herman
La cas                                 La abuel                                                La tí



Slide 29 - Diapositive

Zelfstandig naamwoorden
In het Spaans zijn er vrouwelijke  en mannelijke zelfstandig naamwoorden.
Eenkelvoud (1)





El niño
La niña

Slide 30 - Diapositive

Zelfstandig naamwoorden
In het Spaans zijn er vrouwelijke  en mannelijke zelfstandig naamwoorden.
Meervoud (meer dan 1): Wij toevoegen het letter "S".





Los niños
Las niñas

Slide 31 - Diapositive

Zelfstandig naamwoorden
In het Spaans zijn er vrouwelijke  en mannelijke zelfstandig naamwoorden.
Eenkelvoud (1)





Un niño
Una niña

Slide 32 - Diapositive

Zelfstandig naamwoorden
In het Spaans zijn er vrouwelijke  en mannelijke zelfstandig naamwoorden.
Meervoud (meer dan 1): Wij toevoegen het letter "S".





Unos niños
Unas niñas

Slide 33 - Diapositive

Wat weet je nog over het meervoud?
klinker + -s
medeklinker + -es
het lidwoord moet ook in het meervoud gezet worden
Meervoud

Slide 34 - Diapositive

Meervoud
medeklinker
enkelvoud
eindigt op:
meervoud
voorbeelden

Slide 35 - Diapositive

Lidwoord
Bepaald (de / het)
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
el 
la
meervoud
los
las
Onbepaald (een)
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
un
una
meervoud
unos
unas

Slide 36 - Diapositive

Tener
Tener = hebben                                                      Edad = Leeftijd

Yo
Él/ella/usted
Nosotros
Vosotros
Ellos/ellas/ustedes
Tengo
Tienes
Tiene
Tenemos
Tenéis
Tienen

Slide 37 - Diapositive

Tener = hebben
Yo tengo
tienes
Él/ella/usted tiene
Nosotros tenemos
Vosotros tenéis
Ellos/ellas/ustedes tienen
Ik heb
Jij heeft
Hij/ Zij/ U heeft
Wij hebben
Jullie hebben
Zij hebben

Slide 38 - Diapositive

¿Cuántos años tienes?
Yo tengo ________ años

Slide 39 - Diapositive

Maak 2 zinnen met de ik-vorm
tener hambre  (honger)
tener sed  (dorst)
tener calor  (warm)
tener frío (koud) 
tener sueño (dromen)
tener hijos (kinderen) 
Tener gatos/perro ( katten/ honden)

Slide 40 - Diapositive

SER - Página 26 -27
timer
15:00

Slide 41 - Diapositive

Ser Zijn | Ser de Komen uit
onderwerp
vorm
yo
soy
eres
él, ella, usted
es
nosotros
somos
vosotros
sois
ellos, ellas, ustedes
son

Slide 42 - Diapositive

Yo soy español.
Él es profesor de español. 

Slide 43 - Diapositive

Ella es alta. 
Yo soy de Italia.
Yo soy italiano.

Slide 44 - Diapositive

Hoy es viernes.
Son diez euros

Slide 45 - Diapositive

La camisa es negra.
Ella es rubia.

Slide 46 - Diapositive

Maak een poster over jezelf.
1. Groeten: Hallo.
2. Mijn naam is....
3. Ik ben Nederlander
4. Ik ben ____ jaar oud.
5. Ik ben een jonge/meisje.
6. Ik heb....
(Vertel wat je thuis heb: Een hond?, een kat? of iets anders...)

Slide 47 - Diapositive

¡Hasta la próxima clase!

Slide 48 - Diapositive