L'adjectif - het bijvoeglijk naamwoord - 1THV

L'adjectif
1 / 33
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

Cette leçon contient 33 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 15 min

Éléments de cette leçon

L'adjectif

Slide 1 - Diapositive

L'adjectif - het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over...
*Bedenk zelf eens wat het bijvoeglijk naamwoord is in de volgende zinnetjes:

       Ik heb een mooie pen.
       Hij rijdt in een rode auto.
       Zij heeft een klein zusje.

Slide 2 - Diapositive

L'adjectif - het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over...
* Het zelfstandig naamwoord:

       Ik heb een mooie pen.
       Hij rijdt in een rode auto.
       Zij heeft een klein zusje.

Slide 3 - Diapositive

en français...
* J'ai un beau stylo.
* Il roule dans une voiture rouge.
* Elle a une petite soeur. 

Slide 4 - Diapositive

Wat zijn in de volgende zinnen de bijvoeglijke nmw? Van onder naar boven...
Typ je antwoorden naast mekaar met een spatie tussen.

* J'ai un beau stylo.
* Il roule dans une voiture rouge.
* Elle a une petite soeur.

Slide 5 - Question ouverte

regardons...
* Je lis un livre intéressant.
* Je lis une histoire intéressante.
* Je lis des livres intéressants.
* Je lis des histoires intéressantes.

Slide 6 - Diapositive

* Arthur est petit.
* Sophie est petite.
* Arthur et Koen sont petits.
* Ines et Claire sont petites.

!!! Arthur et Ines sont petits. !!!:
1 woord of persoon mannelijk?: dan mannelijk

Slide 7 - Diapositive

J'ai un copain...
A
français
B
française
C
françaiss
D
françaises

Slide 8 - Quiz

Tu as une copine...
A
anglais
B
anglaise
C
anglaisee
D
anglaises

Slide 9 - Quiz

Il a des copains (mmv)...
A
intéressant
B
intéressantes
C
intéressante
D
intéressants

Slide 10 - Quiz

Nous avons des ... copines (vmv).
A
jolie
B
joli
C
jolies
D
jolis

Slide 11 - Quiz

résumé
* Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord.
* Het BN / adjectief past zich aan het zelfstandig naamwoord, zoals in...
* Je lis un livre intéressant.
* Je lis une histoire intéressante.
* Je lis des livres intéressants.
* Je lis des histoires intéressantes.

mannelijk enk.: /     vrouwelijk enk.: +e     
mannelijk meerv.: +s     vrouwelijk meerv.: +es


Slide 12 - Diapositive

Fais attention:
* Arthur est petit.
* Sophie est petite.
* Arthur et Koen sont petits.
* Ines et Claire sont petites.

!!! Arthur et Ines sont petits. !!!

1 woord of persoon mannelijk?: dan mannelijk

Slide 13 - Diapositive

Exercices
On y va!

Slide 14 - Diapositive

La piscine est très ... . (petit)

Slide 15 - Question ouverte

J'ai un ... frère. (grand)

Slide 16 - Question ouverte

Mon père porte des lunettes (vmv) ... . (noir)

Slide 17 - Question ouverte

Ma fille a les yeux (mmv) ... . (bleu)

Slide 18 - Question ouverte

Fais attention!

Slide 19 - Diapositive

Les lettres E et S
* un garçon timide  -  une fille timide.

-> eindigt het bn op - e -, dan komt er GEEN extra - e -  bij de vrouwelijke vorm.

* un éléphant gris  -  des éléphants gris

-> eindigt het bn op - s -, dan komt er GEEN extra - s - bij de mannelijke vorm in het meervoud.

Slide 20 - Diapositive

Olivier est français.
Olivia est...
A
français
B
françaiseeeee
C
française
D
françine

Slide 21 - Quiz

Alex est calme.
Alexandra est...
A
calme
B
calmee
C
calmi
D
calmoe

Slide 22 - Quiz

Victor est blond.
Victoria est...

Slide 23 - Question ouverte

Paul est triste.
Pauline est...

Slide 24 - Question ouverte

Apprendre par coeur
Leer uit het hoofd

Slide 25 - Diapositive

beau, belle, beaux, belles = mooi; knap

nouveau, nouvelle, nouveaux, nouvelles = nieuw

vieux, vieille, vieux, vieilles = oud

Slide 26 - Diapositive

Sa soeur est...
A
beau
B
belle
C
beaux
D
belles

Slide 27 - Quiz

Les portables sont (mmv)...
A
nouveau
B
nouvelle
C
nouveaux
D
nouvelles

Slide 28 - Quiz

UITDAGING
De honden zijn mooi.
Les chiens (mmv) sont... (mooi = beau)

Slide 29 - Question ouverte

UITDAGING
Mijn oma is oud.
Ma grand-mère est... (oud = vieux)

Slide 30 - Question ouverte

UITDAGING
Mets au pluriel. / Zet de hele zin het meervoud.
Le chat est noir.

Slide 31 - Question ouverte

UITDAGING
Mets au pluriel. / Zet de hele zin het meervoud.
La tante est belle.

Slide 32 - Question ouverte

des questions?

Slide 33 - Diapositive