Doel:
- ken je alle verschillende stijlfiguren:
repetitio, enumeratio, opsomming in drieën, drieslag, climax, omgekeerde climax, hyperbool, understatement, litotes en eufemisme.
- ken je de verschillende soorten beeldspraak: asyndetische vergelijking, homerische vergelijking, synesthesie, vergelijking, metafoor, personificatie, metonymie, tegenstelling (antithese).
- ken je de verschillende stijlfouten: contaminatie, pleonasme en tautologie