Geld

het geld
1 / 40
suivant
Slide 1: Diapositive
RekenenISK

Cette leçon contient 40 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 15 min

Éléments de cette leçon

het geld

Slide 1 - Diapositive

In deze les leer je over geld.

  • euro
  • munten
  • papier geld
  • Hoeveel is het?
  • Wat moet ik betalen?

Slide 2 - Diapositive

Waar denk je aan bij het woord geld?

Slide 3 - Carte mentale

de bank

Slide 4 - Diapositive

de pinauatomaat

Slide 5 - Diapositive

de pinpas

Slide 6 - Diapositive

de kassa

Slide 7 - Diapositive

de spaarpot

Slide 8 - Diapositive

Luisteren en nazeggen

Hoeveel geld zit er in de portemonnee?


Hoeveel geld?

Slide 9 - Diapositive

de munt

Slide 10 - Diapositive

de prijs

Slide 11 - Diapositive

de portemonnee

Slide 12 - Diapositive

Slide 13 - Vidéo

16 euro
10 euro
14 euro
15 euro

Slide 14 - Question de remorquage

€ 4

Slide 15 - Question de remorquage

€ 9

Slide 16 - Question de remorquage

€ 10,05

Slide 17 - Question de remorquage

€ 3,10

Slide 18 - Question de remorquage

7.4 Geld
Hoeveel geld zit er in de portemonnee?

Luister goed!
Hoeveel geld?
7.4   - Luisteren en nazeggen

Slide 19 - Diapositive

het muntgeld
de mobiel
het briefgeld
de pinpas
Manieren om te betalen: met ...

Slide 20 - Question de remorquage


A
het biljet
B
het bieljet
C
het geldpapier
D
de dollar

Slide 21 - Quiz


A
de paspin
B
de pinpas
C
de geldpas
D
de europas

Slide 22 - Quiz


A
de pinpas
B
de ingbank
C
de kassa
D
de pinautomaat

Slide 23 - Quiz


A
de kassa
B
de kasa
C
de kaas
D
de klas

Slide 24 - Quiz

Slide 25 - Lien

A
Kijk goed naar de volgende euromunten en naar de bijhorende letter
B
C
D

Slide 26 - Diapositive

Welke munt is het meest waard?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 27 - Quiz

Kijk goed naar de volgende euro biljetten en naar de bijhorende letter
A
C
B
D

Slide 28 - Diapositive

Welk biljet is het minst waard?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 29 - Quiz

Vul het bedrag in wat je ziet.

Slide 30 - Question ouverte

Vul het bedrag in wat je ziet.

Slide 31 - Question ouverte


Slide 32 - Question ouverte

1 euro is hetzelfde als ... eurocent

Slide 33 - Question ouverte

Vul in: het bedrag in cijfers.
Negenentachtig euro en vijfenzestig cent

Slide 34 - Question ouverte

Vul in: het bedrag in cijfers.
Honderdtwintig euro en veertig cent

Slide 35 - Question ouverte

Vul in: het bedrag in cijfers.
Zevenhonderdvierentachtig euro en zeventig cent

Slide 36 - Question ouverte

Één boek kost 3,00 euro.
Je koopt 6 boeken.
Hoeveel moet je betalen?
A
15,00
B
18,00
C
19,00
D
21,00

Slide 37 - Quiz

Één potje nagellak kost 2,50 euro.
Je koopt 3 potjes nagellak.
Hoeveel moet je betalen?
A
7,50
B
5,50
C
8,50
D
6,50

Slide 38 - Quiz

Slide 39 - Lien

Hoe was de les over geld?
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Sondage