Grammar unit 3+4

Grammar unit 3+4
B1C
1 / 27
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 27 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

Grammar unit 3+4
B1C

Slide 1 - Diapositive

Lesson agenda
  • grammar unit 3 + 4 herhaling 
  • if you prefer practicing your grammar:
    make stencils all grammar on Google Classroom
  • toets inkijken 

Slide 2 - Diapositive

Present simple
als iets altijd, met regelmaat of nooit gebeurt
werkwoord of werkwoord + -s (shit regel)

vragen: Do/Does + onderwerp + werkwoord
negatieve zinnen: don't/ doesn't + werkwoord

We eat fruit every day
Does she eat fruit every day?
She doesn't eat fruit every day



Slide 3 - Diapositive

We ________ (walk) to school every Monday.
A
walks
B
walk
C
are walking

Slide 4 - Quiz

Vertaal de zin (present simple):
Annie praat niet met hem

Slide 5 - Question ouverte

Present continuous
als iets op dit moment gebeurt/aan het gebeuren is
signaalwoorden: at the moment, right now, now, look!

am/are/is + werkwoord + ing
vragen: am/are/is + onderwerp + werkwoord + ing
negatieve zinnen: am/are/is + not + werkwoord + ing

She is talking to him
Are they looking this way?
I am not walking over there!

Slide 6 - Diapositive

Look! It _________ (rain)
A
is raining
B
rains
C
is rained

Slide 7 - Quiz

Vertaal deze zin (present continuous):
We lopen nu naar huis

Slide 8 - Question ouverte

Possessive pronouns
Subject
possessive adjective
Possessive pronoun
I
my
mine
you
your
yours
he
his
his
she
her
hers
it
its
we
our
ours
they
their
theirs

Slide 9 - Diapositive

This is ____ phone (mijn)

Slide 10 - Question ouverte

We bought a new car. The car is _____ (van ons)

Slide 11 - Question ouverte

Demonstrative pronouns
near
far
ev
this
that
mv
these
those

Slide 12 - Diapositive

____ book is mine (near)

Slide 13 - Question ouverte

_____ trees are very tall! (far)

Slide 14 - Question ouverte

Much/ many/ (a) few/ (a) little
telbaar
niet telbaar
veel
many
much
een beetje/ een paar
a few
a little
weinig
few
little

Slide 15 - Diapositive

Hij heeft veel vrienden

Slide 16 - Question ouverte

Wij hebben weinig geld

Slide 17 - Question ouverte

can/could/can't/couldn't
kunnen (vaardigheden): can
vragen die niet beleefd hoeven: can

iets is een mogelijkheid (zou kunnen): could
verleden tijd van kunnen: could
beleefde vraag: could

Slide 18 - Diapositive

Zou ik wat water kunnen krijgen?

Slide 19 - Question ouverte

tag questions
tag question = hulp werkwoord + persoonlijk voornaamwoord
I am tall, am I? 

hoofdzin positief = tag question negatief
hoofdzin negatief = tag question positief

geen hulpwerkwoord in de zin? Gebruik do/don't/does/doesn't

Slide 20 - Diapositive

She walks to school, ____ ?

Slide 21 - Question ouverte

We have done our homework, _____?

Slide 22 - Question ouverte

Some/any
positieve zinnen = some
vragen waar je het antwoord "ja" verwacht/aanbiedingen = some

overige vraagzinnen = any
negatieve zinnen = any

Slide 23 - Diapositive

Do you have _____ water for me?

Slide 24 - Question ouverte

She didn't do ____!

Slide 25 - Question ouverte

Are there ____ good movies on TV?

Slide 26 - Question ouverte

lesson agenda
make the stencil on Google Classroom
B1C - Schoolwerk - all grammar - stencils

Done? make grammar exercises in your book

Slide 27 - Diapositive