Conjunctuur en anticyclisch begrotingsbeleid

CONJUNCTUURBELEID
1 / 19
suivant
Slide 1: Diapositive
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

Cette leçon contient 19 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

CONJUNCTUURBELEID

Slide 1 - Diapositive

Wat is een economische conjunctuur?
A
Schommelingen in het niveau van de bestedingen (met een productie afwisselend boven en onder de potentiële productie).
B
Alles dat met de economie te maken heeft
C
Hoeveelheid werkloosheid er in een land is
D
Schommelingen in de economie en of het goed of slecht gaat in een land

Slide 2 - Quiz

Conjunctuurindicatoren kunnen anticyclisch of procyclisch zijn.
Een variabele die een patroon vertoont tegengesteld aan de conjunctuurlijn, noemen we een:


A
Anticyclische variabele
B
Procyclische variabele

Slide 3 - Quiz

Investeringen door de overheid in infrastructuur behoren tot conjunctuurbeleid
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quiz

Investeringen van de overheid in onderwijs en innovatie behoren tot structuurbeleid
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quiz

Bij conjunctuurbeleid heeft de overheid twee knoppen om aan te draaien:
A
Belastingen en export
B
Belastingen en import
C
Belastingen en particuliere bestedingen
D
Belastingen en overheidsbestedingen

Slide 6 - Quiz

Variabele die een patroon vertoont gelijk opgaand met de conjunctuurlijn.
A
Anticyclische variabele
B
Procyclische variabele

Slide 7 - Quiz

Consumentenvertrouwen is
een ........ conjunctuurindicator
A
achterlopende
B
gelijklopende
C
voorlopende

Slide 8 - Quiz

De conjunctuurklok geeft weer:
A
actuele stand van zaken Nederlandse economie
B
alle conjunctuurindicatoren
C
of we in een hoog- of laagconjunctuur zitten
D
de hoogte van het BBP

Slide 9 - Quiz

Hoe vinden de "Keynesianen" dat je moet reageren op conjunctuurschommelingen?
A
De overheid moet de markt met rust laten
B
De ECB moet de geldpersen aanzetten
C
De overheid moet actief de economie stimuleren
D
De overheid moet anticyclisch handelen

Slide 10 - Quiz

Wat kan de overheid doen om een stijgende of oververhitte conjunctuur af te remmen?
A
Meer overheidsbestedingen
B
Belastingtarieven verlagen
C
Verhogen inkomstenbelasting
D
Verlagen rente

Slide 11 - Quiz

Twee beweringen over de conjunctuur.
I. Bij onderbesteding is er veel inflatie.
II. Bij overbesteding is er conjuncturele werkloosheid.
Welke bewering(en) is/zijn goed?

A
Beide zijn goed
B
I is goed en II is fout
C
I is fout en II is goed
D
Beide zijn fout

Slide 12 - Quiz

Als de overheid bij een laagconjunctuur anticyclisch begrotingsbeleid wil voeren, moet het: ...
A
de belastingen verlagen of de overheidsbestedingen verlagen.
B
de belastingen verlagen of de overheidsbestedingen verhogen.
C
de belastingen verhogen of de overheidsbestedingen verlagen.
D
de belastingen verhogen of de overheidsbestedingen verhogen.

Slide 13 - Quiz

In een situatie van laagconjunctuur houdt anticyclisch conjunctuurbeleid in dat ...
A
de overheid minder gaat besteden
B
de overheid meer gaat besteden
C
de overheid de belastingen verhoogt
D
de overheid de de uitkeringen verlaagt

Slide 14 - Quiz

Stelling: Bij anticyclisch conjunctuurbeleid zal bij laagconjunctuur het overheidssaldo verbeteren.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 15 - Quiz

Wat doet een overheid in een hoogconjunctuur met een anticyclisch beleid?
A
Belastingen verhogen
B
Belastingen verlagen

Slide 16 - Quiz

Wat zijn voorbeelden van conjunctuurindicatoren?
A
overheidstekort
B
consumenten- en producentenvertrouwen
C
sociale zekerheid en uitkeringen
D
structurele werkloosheid

Slide 17 - Quiz

Wat is niet waar over anticyclisch begrotingsbeleid in een laagconjunctuur?
A
De staatsschuld loopt dan op
B
De belastingen moeten dan omlaag
C
De overheidsuitgaven moeten omhoog
D
Anticyclisch begrotings- beleid leidt tot kleiner begrotingstekort

Slide 18 - Quiz

ALLES BEGREPEN???

Slide 19 - Diapositive