Voorzetsels

Nederlands
B1b
18 feb
1 / 23
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

Cette leçon contient 23 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Nederlands
B1b
18 feb

Slide 1 - Diapositive

Leesboek...

Slide 2 - Diapositive

Voorzetsels

Slide 3 - Diapositive

Doel
  • Aan het eind van de les weet wat je een  voorzetsel is en kun je deze benoemen in een  zin.

Slide 4 - Diapositive

Ik weet wat een voorzetsel is..
A
Ja
B
nee

Slide 5 - Quiz

Wat is een voorzetsel?

Slide 6 - Carte mentale

Voorzetsels
  • Voorzetsels staan meestal voor een lidwoord of een voornaamwoord met een zelfstandig naamwoord. (achter die kast, naast mij, onder de boeken). Ze kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan, meestal geeft het dan een richting aan. (Ik viel de sloot in, hij liep de weg op. ) 

  • Let op! Delen van scheidbare werkwoorden zijn geen vz. 
  • Bv. opbellen. Hij belt mij op. op = geen vz

Slide 7 - Diapositive

Eigenschappen vz


  • Ze geven een plaats, tijd of reden aan.
  • Trucje:
  • ... de kast (achter, op, voor)
  • ... het feest (tijdens, na, gedurende)



Slide 8 - Diapositive

Slide 9 - Lien

Wat is geen voorzetsel?
A
Tijdens
B
eerste
C
achter
D
langs

Slide 10 - Quiz

Wat is GEEN voorzetsel?
A
Links
B
Uit
C
Op
D
Boven

Slide 11 - Quiz

We kijken samen naar voetbal op de televisie
Sleep het vinkje naar het voorzetsel

Slide 12 - Question de remorquage

Zet het juiste voorzetsel in de zin.
Is jouw voetbaltrainer ook zo trots ... zijn team?
op
achter
met
bij
tegen
aan

Slide 13 - Question de remorquage

Wat is het voorzetsel in deze zin:
Ik ga bij mijn vriend voetballen.

Slide 14 - Question ouverte

Welk woord in de zin is het voorzetsel :
Mijn fiets staat tegen de schutting.

Slide 15 - Question ouverte

VUL VOORZETSEL IN
Mijn vader fietst ..... het donker.

Slide 16 - Question ouverte

Vul een voorzetsel in:
We zijn ..... Brussel gereden.

Slide 17 - Question ouverte

De ondernemende peuter kroop … de tafel - welk voorzetsel kun je hier neerzetten?

Slide 18 - Question ouverte

Vul aan met een voorzetsel:
Wij zorgen ... de taart.

Slide 19 - Question ouverte

Vul aan met een vast voorzetsel:
We hebben een hekel ... huiswerk.

Slide 20 - Question ouverte

Maak een zin met 2 voorzetsels.

Slide 21 - Question ouverte

Doel
  • Aan het eind van de les weet wat je een  voorzetsel is en kun je deze benoemen in een  zin.

Slide 22 - Diapositive

Aan de slag met:
§ 6 WS Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord
Cursus 5 Grammatica
Opdracht 1 t/m 5

§ 10 WS Voorzetsel
Cursus 5 Grammatica
Opdracht 1 t/m 5


Klaar?
Leesboek
aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, in, langs, met, na, naar, naast, om, onder, op, over, per, sinds, te, tegen, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, zonder.

Slide 23 - Diapositive