In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Woordenschat klas 1
Slide 1 - Tekstslide
Is ziekenhuis een samenstelling?
A
Ja
B
Nee
Slide 2 - Quizvraag
Is tandarts een samenstelling?
A
Ja
B
Nee
Slide 3 - Quizvraag
Is herhaling een samenstelling?
A
Ja
B
Nee
Slide 4 - Quizvraag
Is onhandig een samenstelling?
A
Ja
B
Nee
Slide 5 - Quizvraag
Is regenboog een samenstelling?
A
Ja
B
Nee
Slide 6 - Quizvraag
Leg uit wat een keukentafel is
Slide 7 - Open vraag
Leg uit wat het verschil is tussen een dierentuin en een tuindier
Slide 8 - Open vraag
Leg uit wat synoniemen zijn
Slide 9 - Open vraag
Welke woorden zijn GEEN synoniemen van elkaar?
A
Vriendelijk & aardig
B
Vuur & water
C
Huis & woning
D
Denken & overwegen
Slide 10 - Quizvraag
De oude man was zeer kwiek voor zijn leeftijd; hij was nog steeds erg energiek en actief.
Wat betekent kwiek? Gebruik de synoniemen!
Slide 11 - Open vraag
De presentatie van de spreker was fascinerend; het publiek vond het buitengewoon boeiend en luisterde aandachtig.
Wat betekent fascinerend? Gebruik de synoniemen!
Slide 12 - Open vraag
Wat is de tegenstelling van warm?
A
Koud
B
Vuur
C
Temperatuur
D
Vlug
Slide 13 - Quizvraag
Maak van het woord 'handig' een tegenstelling door een voor- of achtervoegsel toe te voegen
Slide 14 - Open vraag
De professor gaf een eloquente toespraak, in tegenstelling tot de onhandige presentatie van zijn collega.
Wat betekent eloquent? Kijk naar de tegenstelling!
Slide 15 - Open vraag
Aan welk woord kan je soms zien dat er een omschrijving volgt?
A
Want
B
Maar
C
Daardoor
D
Zogenaamd
Slide 16 - Quizvraag
De arts legde uit dat de patiënt leed aan narcolepsie, een aandoening die wordt gekenmerkt door overmatige slaperigheid overdag en plotselinge aanvallen van slaap.
Wat betekent narcolepsie? Gebruik de omschrijving!