Citations - des blagues

1 / 57
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 57 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Gele woordjes
si = als
je bois (boire) = ik drink (drinken)
alcoolique = alcoholisch, alcoholist 
alors = dus, dan toen

Als ik alcohol drink ben ik alcoholist, dus als ik Fanta drink ben ik fantastisch?

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Gele woordjes
la femme = de vrouw
qui = die
ne ... pas encore  = nog niet  
née (naître) = geboren (geboren worden)
plus tard = later
De vrouw die met mij  kan doen wat ze wil, is nog niet geboren. Vier jaar later...

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Gele woordjes
quel  = welke, hier: wat
joli = leuk, mooi



Wat een mooie tas!
Het is m'n ex.....

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Gele woordjes
entretien d'embauche  = sollicitatiegesprek
poser une question = een vraag stellen
répondre = antwoorden
prêt(e) = klaar
Sollicitatiegesprek met een blondje
- Ik ga u een vraag stellen. U moet snel antwoorden. - Oké. Ik ben klaar. 2 + 2 ?  - Snel

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Gele woordjes
ancien =  oud
le proverbe = het spreekwoord
si = als
avoir l'air de = lijken
Oud japans spreekwoord
Als u geen Japans kunt lezen, buig uw hoofd naar rechts.
"U lijkt debiel"

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Gele woordjes
très = heel
drôle =  grappig




Heel grappig!

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Gele woordjes
un épouvantail = een vogelverschrikker        - en = er
tu peux (pouvoir) = jij kunt (kunnen)                - comment = hoe
vrai = waar

- Is het een persoon? - Nee, het is een vogelverschrikker. Ik ben er zeker van. - Hoe kun jij er zeker van zijn?  - Hij kijkt niet op z'n mobieltje. - Dat is waar.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Gele woordjes
chez  =  bij, hier: naar
mon médecin = mijn huisarts
je crois = ik geloof
prescrire = voorschrijven

Ik ben naar mijn huisarts gegaan. Ik geloof dat hij me vakantie aan zee heeft voorgeschreven.

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Gele woordjes
qu'est-ce que   =  wat
tu fais (faire) = jij doet ( doen/maken
sur = op


- Wat doe je?
- Ik publiceer / zet mijn maaltijd op Facebook.

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Gele woordjes
découvrir =  ontdekken  ( - couvrir = bedekken )
s'occuper de  = zich bezighouden met


- Joehoe!!! Ik heb het vuur ontdekt!
- Super, kun je je nu bezighouden met Wifi?

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Gele woordjes
rentrer =  naar huis (terug) gaan / komen
préparer  = (voor)bereiden /maken
trouver = vinden
Berichten
- Kom thuis, ik heb  je je scooter gekocht
- Kom naar huis, ik heb je lievelingseten gemaakt
- Ze hebben je sigaretten gevonden

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Gele woordjes
mets =  doe  -  mettre  = leggen, zetten, (aan-)doen
dans  = in
une casserole = een steelpannetje
un verre = een glas
ensuite = vervolgens, daarna
- Doe in een pannetje een glas rijst en 3 glazen water.
- En dan?

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Gele woordjes
trop = te, teveel
ne...jamais = nooit




Verlies nooit je pen!

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Gele woordjes
se marier = trouwen
avec
   =  met
qui = wie
aussi = ook
mais = maar
pourquoi = waarom



- Wat doe je?
- Ik publiceer / zet mijn maaltijd op Facebook.

Slide 28 - Tekstslide

Gele woordjes
Een kind van 4 jaar komt naar z'n vader toe en zegt (hem):
- Papa, ik heb besloten dat ik ga trouwen.
- Geweldig! En met wie?
- Met oma! Zij heeft tegen me gezegd dat ze van me hield en ik hou ook van haar. Het is de beste kokkin van de wereld en ze vertelt de beste verhalen!
- Heel goed. Maar we hebben een klein probleem. Het is mijn mama
- Ik publiceer / zet mijn maaltijd op Facebook.

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Gele woordjes
aider = helpen 
vraiment = echt
gérer = beheren, omgaan met, beheersen



Dat helpt me echt om mijn stress te beheersen

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Gele woordjes
suite à  = als gevolg van / na 
ne .. plus = niet meer
aucun = geen (van de twee)
rompre = breken, verbreken
soudain = plotseling
le mari = de echtgenoot
se souvient ( se souvenir) = herinnert zich (zich herinneren)

Slide 33 - Tekstslide

Gele woordjes
il doit (devoir) = hij moet (moeten)
un rendez-vous = een afspraak
un bout = een stukje
prendre = nemen
le lendemain = de volgende dag
lève-toi (se lever) = sta op (opstaan)

Slide 34 - Tekstslide

Gele woordjes
Na een ruzie praat een echtpaar niet meer met elkaar. Geen van beide wil de stilte verbreken. Plotseling herinnert de man zich dat hij de volgende dag om 5 uur moet opstaan om het vliegtuig te nemen voor een belangrijke zakelijke afspraak. Hij pakt een stukje papier en schrijft: "Wek me om 5 uur, ik moet met t vliegtuig." Het legt t goed in het zicht neer. de volgende dag wordt hij wakker om 9 uur. Woedend staat hij op en ontdekt een papier op zijn nachtkastje waarop staat: "Het is 5 uur. Sta op!"

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Gele woordjes
ce qui = wat
quand  = wanneer 
dans = in
les autres = de anderen

Ziehier wat er gebeurt wanneer je je neus steekt in de zaken van anderen 

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Gele woordjes
si = als
quelqu 'u n  = iemand
jette (jetter) = gooit ( jeter = gooien)
une pierre = een steen
mais = maar
oublie  (oublier)= vergeten
ne ... pas = niet  















il y a 
= er zijn
le confinement  = de quarantaine
reviennent ( revenir)  = komen terug (terug komen)
combien = hoeveel

Ziehier wat er gebeurt wanneer je je neus steekt in de zaken van anderen 

Slide 39 - Tekstslide

Gele woordjes
avec = met;   hier: erbij




Als iemand een steen naar jou gooit, gooi een bloem naar hem.
Maar vergeet niet de pot mee te gooien!
















il y a 
= er zijn
le confinement  = de quarantaine
reviennent ( revenir)  = komen terug (terug komen)
combien = hoeveel

Ziehier wat er gebeurt wanneer je je neus steekt in de zaken van anderen 

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Gele woordjes
ne ... pas du tout = helemaal niet
tu te souviens (se souvenir)  = herinner je je ( zich herinneren)
la maternité = de kraamafdeling
quand = toen
il a fait caca  (faire caca) = hij heeft gepoept  (poepen)
change-le  (changer) = verschoon hem / verwissel hem 
je l'ai fait = ik heb dat gedaan














il y a 
= er zijn
le confinement  = de quarantaine
reviennent ( revenir)  = komen terug (terug komen)
combien = hoeveel

Ziehier wat er gebeurt wanneer je je neus steekt in de zaken van anderen 

Slide 42 - Tekstslide

Gele woordjes


Een moeder kijkt naar haar zoon van 18 jaar en zegt tegen haar echtgenoot: "Marcel, dit kind lijkt helemaal niet op ons!"
De echtgenoot antwoordt: Ik weet het, herinner je je nog, op de kraamafdeling, toen hij had gepoept? Jij zei: "Verschoon hem" - Dat heb ik gedaan.










il y a 
= er zijn
le confinement  = de quarantaine
reviennent ( revenir)  = komen terug (terug komen)
combien = hoeveel

Ziehier wat er gebeurt wanneer je je neus steekt in de zaken van anderen 

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide

Gele woordjes
prendre  =  nemen, pakken
un peu  =  een beetje
l'argent  =   het geld
à vendre = te koop  (vendre = verkopen)
-"Papa, mag ik de grasmaaier om wat geld te verdienen?" 
- "Eh, ja, mijn jongen." 
TE KOOP

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide

Gele woordjes
le fils   =  de zoon                                              
tu crois  (croire)   =  jij gelooft  (geloven)
la maîtresse =  de juf
sait (savoir) = weet (weten)
que = dat 
faire les devoirs = huiswerk maken
à la maison = thuis  

Slide 47 - Tekstslide

Gele woordjes
a dit (dire) = heeft gezegd (zeggen)                                             
autant =  zoveel
seul = alleen
 -"Mijn zoon, denk je dat je juf weet dat ik je help met je huiswerk?"
_ "Ik denk van wel, mama... Ze heeft gezegd dat het onmogelijk was dat ik helemaal alleen zoveel fouten maakte.  

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Tekstslide

Gele woordjes
regarde (regarder) = kijk (kijken)             de = van                                      
l'aile = de vleugel                                            l'avion  = het vliegtuig
vient de ( venir de ) =  zojuist , net 
se casser + (zich) breken

Mama... mama.. Kijk... de vleugel van het vliegtuig is net afgebroken!

Slide 50 - Tekstslide

Slide 51 - Tekstslide

Gele woordjes
je pars (partir)  =  ik vertrek (vertrekken)                              
les enfants = de kinderen
je peux  (pouvoir)  = ik kan  (kunnen)
ne ... plus  =  niet meer
ta tronche = je kop (hoofd)

Ik ga weg met de kinderen. Ik kan je kop niet meer zien.




Wie heeft gelijk?

Slide 52 - Tekstslide

Slide 53 - Tekstslide

Gele woordjes
proverbe = gezegde
si   =  als                               
l'envie = de zin 
vient  (venir) = komt  (komen) 
travailller  = werken
assis-toi > assieds-toi = ga zitten
attends (attendre) = wacht  (wachten)

Wie heeft gelijk?

Slide 54 - Tekstslide

Gele woordjes
ça  (cela)  =  dat 
passe  (passer)  = over gaat ( passeren. overgaan)



Als je ooit zin krijgt om te gaan werken, ga zitten en wacht tot het voorbij gaat.




Wie heeft gelijk?

Slide 55 - Tekstslide

😁😁😁😁😁😁

Slide 56 - Tekstslide

Gele woordjes
je voudrais (vouloir) = ik zou graag willen (willen)
le livre = het boek                            
travailler = werken
sans = zonder 
se fatiguer  = moe worden
désolé = sorry
épuisé  = uitgeput, hier:  uitverkocht

Wie heeft gelijk?

Slide 57 - Tekstslide