Grammar - Prepositions

Prepositions
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Prepositions

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesson aims
At the end of class, you;
... will know what prepositions of place and direction are.
... you will know how to apply prepositions correctly.
.... you will be able to name a few prepositions of direction.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies





Prepositions

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

How do you say prepositions in Dutch?
A
voegwoorden
B
voorzetsels
C
lidwoorden
D
bijvoeglijke naamwoorden.

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Name a preposition in English

Slide 5 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Prepositions 1
There are prepositions that are used to indicate where something is. (position)
Er zijn voorzetsels die gebruik worden om aan te geven waar iets is. (positie)

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prepositions of place

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prepositions 2
There are prepositions used to indicate when something happens. (time) 
Er zijn voorzetsels die gebruik worden om aan te geven wanneer iets gebuurt. (tijd) 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IN
ON
AT
The Evening, The morning
Winter, 2006, July

Wednesday, My birthday,
Sunday morning, Saturday, 
July 2nd, Christmas
the tapas restaurant, night, midday, 12:30

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

I was born ............ January.
A
In
B
On
C
At
D
By

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I have never been .......... TV.
A
In
B
On
C
At
D
To

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I always go skiing ........ the winter.
A
In
B
On
C
At
D
To

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

The exercise is ........ page 53.
A
In
B
On
C
At
D
To

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

What is the difference in meaning between 'in' and 'at' a building ?
A
There is no difference.
B
'In' means in the building and 'at' in front of the building.
C
'In' means your inside and 'at' means the general area.
D
'At' means inside and 'in' means the general area

Slide 15 - Quizvraag

If you would like to describe the general location of where someone/something is, you should use “at.” 
For example, “Mary is at the school.” However, if you need to emphasize that someone/something is inside the building or area, you can use “in.” For instance, “Mary is in the school.”
Prepositions 3
There are words used to indicate a direction. 
into
onto
to
from

Er zijn woorden die geef een richting aan.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Video

Deze slide heeft geen instructies

When do you use into or onto?

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

All my friends are coming ............... my party.
A
In
B
On
C
To
D
By

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I drive _____ work ________ my town everyday.
A
in, to
B
from, to
C
for, to
D
by, to

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

1. From March 1st our prices will be raised                  3%. (met)
2. He was listening                   the radio (naar).
3.               the whole we were quite satisfied (over)
4. I am waiting                 the bus.
5. They left                  France, yesterday. (naar)
6. Why are you angry .                    me
by
to
for
on
from
with

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

 English sayings with prepositions......

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drag me ..............
Too Good ........ Goodbyes
................... Control
Shape .............. You
Writing's ............. the Wall
Take me ................ Church
.............. the Name of Love
Down
At
Under
Of
On
To
In

Slide 23 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Prepositions 4

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geven aan dat je in de richting van iets beweegt:


I walk to school every morning. 
The dog ran after the cat.
The bus is driving towards the city centre.

To = Naar
After = Achterna
Towards = naar...toe

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indicate that you are moving away from something:


They told us to move away from the fire.
Can you take the DVD out of the computer?
I jumped off my bike after the accident
Geven aan dat je ergens vandaan beweegt:

From = van
Out of = uit
Off = van...af

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indicate that you are moving past something:

Don't walk across the street when the light is red.
We walked around the lake to get to the other side.
The plane flew over our city.
I walked past your house this morning.
The bird flew through my room.

Geven aan dat jij je ergens voorbij beweegt:

Across = naar de overkant
Around = om...heen
Over= overheen
Past = voorbij
Through = door

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Other commonly used
prepositions of direction:
  • They cycled along the river for hours. 
  • She always walks alongside her mother.
  • Rain is pouring down from the sky. 
  • He disappeared into the crowd of people.
  • I climbed onto the stage to sing a song.
  • The bird flew round my head.
  • You have to climb up  the stairs. 
Overige veelgebruikte prepositions of direction:

Along= langs
Alongside= gelijk op met
Down= naar beneden
Into= in
Onto= op
Round= rond
Up= omhoog

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

0

Slide 29 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Worksheets 
Practice some more on this website


https://agendaweb.org/grammar/prepositions-worksheets-resources.html

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies