organen en cellen herhaling voor de toets

Organen en cellen
Bronnen:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Organen en cellen
Bronnen:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organen bestaan uit cellen. 
De cellen zijn de bouwstenen van je organen.

Door een microscoop kun je cellen bekijken. Ze lijken plat maar dat zijn ze in werkelijkheid niet. Er zijn verschillenden vormen, het lijken net zakjes die gevuld zijn met water. 
rode bloedcel
Vorm: rond
Kan makkelijk door bloedvat
zenuwcel
Vorm: met lange uitlopers
Kan makkelijk contact maken met verschillende cellen
Soorten cellen
Botcel
Spiercel

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verschillen tussen plantencellen en cellen van dieren.
Alle cellen hebben een celmembraam, een celkern en cytoplasma. 
Bladgroenkorrels, celwand en grote vacuolen komen alleen voor in plantencellen.

dierlijke cel
plantencel

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Alle cellen in je lichaam hebben dezelfde vorm
A
ja
B
nee
C
dat verschilt per persoon
D
bij een mens wel, bij een dier niet

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Welke is de plantencel?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een cel van een ui is een voorbeeld van een plantaardige cel
A
Juist
B
Onjuist

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zie afbeelding:

Welke onderdelen van deze plantaardige cel komen ook bij dierlijke cellen voor? ......
A
1, 2 en 5.
B
1, 4 en 5.
C
2, 3 en 6.
D
2, 5 en 6.

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


1 en 2 zijn plantaardige cellen.
Waar vindt fotosynthese plaats?
1
2
A
1 In de celkern daar maakt het zijn eigen voedsel
B
2 In bladgroenkorrels, daar maakt het zijn eigen voedsel

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat heeft een plantencel wel
wat een dierlijke cel niet heeft?
A
celkern
B
cytoplasma
C
celmembraan
D
celwand

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een weefsel?
A
Een groep cellen met verschillende functie’s
B
Een groep organen met dezelfde functie
C
Een groep cellen met dezelfde functie
D
Een groep organen met verschillende functie’s

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor weefsel is dit?
A
kraakbeenweefsel
B
huidweefsel
C
botweefsel
D
spierweefsel

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Organenstelsels
Bloedvatenstelsel

Bottenstelsel

Zenuwstelsel

functie
Vervoeren van bloed door het lichaam
functie
Vorm en stevigheid voor het lichaam.
Bescherming en aanhechting van pezen.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wat is een organenstelsel
A
alle organen die werken
B
alle organen die bezig zijn met leven
C
alle levende organen
D
alle organen die samenwerken aan 1 taak

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor organenstelsel is dit?
A
Spierstelsel
B
Botstelsel
C
Zenuwstelsel
D
Bloedvatenstelsel

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij welk organenstelsel hoort dit orgaan?
A
Bloedvatenstelsel
B
Zenuwstelsel
C
Beenderstelsel
D
Spierstelsel

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Organismen
cel
Organenstelsel
orgaan

Slide 16 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de onderdelen van groot naar klein
 1 is het grootste en 4 is het kleinste.
1
2
3
4
weefsels
organen
orgaanstelsels
cellen

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Torso
Organen leren met de torso

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

TORSO

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


nummer 2?
A
Long
B
Hart
C
Nier
D
Maag

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


nummer 5?
A
Long
B
Hart
C
Nier
D
Maag

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


nummer 10?
A
Long
B
Hart
C
Nier
D
Maag

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


nummer 6?
A
Long
B
Dikke darm
C
Nier
D
Maag

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


De dunne- en dikke darm, de maag en de lever werken samen in het:
A
bottenstelsel
B
zenuwstelsel
C
spierstelsel
D
verteringsstelsel

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gewricht:
Gewricht:
Elk gewricht bestaat uit 6 onderdelen.
  1. Gewrichtskapsel
  2. Gewrichtskogel
  3. Gewrichtskom
  4. Gewrichtssmeer
  5. Kraakbeenlaagje
  6. Kapselband

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de volgorde van de bouw van een spier
A
Spierbundel-spiervezel-spiercellen
B
Spiervezel-spiercellen-spierbundel
C
Spiercellen-spiervezel-spierbundel

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Soorten gewrichten
Er zijn twee soorten gewrichten.
  1. Kogelgewricht
  2. Scharniergewricht

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zit er om een gewricht heen om het gewricht op zijn plek te houden?
A
Gewrichtssmeer
B
Gewrichtskogel
C
gewrichtskapsel
D
kraakbeenlaagje

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderdeel van een gewricht maakt gewrichtssmeer?
A
kraakbeenlaagje
B
gewrichtskapsel

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de kapselbanden?
A
soepel bewegen van het gewricht
B
Is de binnenste band en houdt de 2 botten bij elkaar
C
Is de buitenste band, voor nog meer extra stevigheid van het gewricht
D
Beschermt de botten

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


In de afbeelding hiernaast is een doorsnede van een gewricht te zien. Een aantal onderdelen is aangegeven met cijfers.
Welk onderdeel van het gewricht maakt gewrichtssmeer?
A
onderdeel 2
B
onderdeel 4
C
onderdeel 5
D
onderdeel 6

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor gewricht is dit?
A
Scharniergewricht
B
Kogelgewricht
C
Rolgewricht

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor gewricht is dit?
A
Kogelgewricht
B
Rolgewricht
C
Scharniergewricht
D
Geen van allen

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

 spierbevestiging en spierbewegingen 

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spieren bewegen maar naar één kant
Elke spier heeft een tegenovergestelde spier.
Antagonistisch paar (buig & strekspier)

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderdeel geeft stevigheid aan de spier?
A
Pees
B
Spierschede
C
Spiervezel
D
Verpakking

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Met welk onderdeel zit een spier vast aan een bot?
A
spierbundel
B
pees
C
spiervezel

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een antagonist?
A
een spier met een tegengestelde werking
B
een spier met dezelfde werking
C
allemaal pezen bij elkaar
D
Een moeilijk woord

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Blessures


10.5 Botverbindingen en
10.6 blessures

Slide 39 - Tekstslide

<a href="https://www.freepik.com/free-photo/asian-woman-sitting-steps-street-holding-friend-s-ankle_5698287.htm#fromView=search&page=1&position=27&uuid=8857afc8-c561-436e-962a-426264790f58">Image by pressfoto on Freepik</a>
Soorten blessures
 
1: bot blessures
2: gewrichtsblessures
3: spierblessure

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen spierblessure?
A
Kramp
B
Spierpijn
C
Verstuiking
D
Kneuzing

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wie heeft sneller een botbreuk?
A
baby
B
puber
C
bejaarde
D
kleuter

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een kneuzing is een blessure aan je..........
A
botten
B
spieren
C
gewrichten

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij welke spierblessure trekt een spier plotseling samen?
A
Spierkramp
B
Spierpijn
C
Spierscheuring

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Een van de veelvoorkomende blessures aan je botten zijn botbreuken. Je ziet hier een botbreuk bij een wielrenner. Welk bot is hier gebroken?
A
Opperarmbeen
B
Sleutelbeen
C
Schouderblad
D
Rib

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

kenmerk voor een kneuzing is
A
een blauwe plek
B
een gescheurde spier
C
een gescheurde pees

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies