In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Aanpassingen bij dieren en planten
Thema ecologie
Slide 1 - Tekstslide
Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese?
Wat maakt een plant bij fotosynthese?
Slide 2 - Sleepvraag
Welke organismen vormen altijd de eerste schakel van een voedselketen?
A
planteneters
B
vleeseters
C
organismen met bladgroen
D
alleseters
Slide 3 - Quizvraag
Consument
Producent
Reducent
Slide 4 - Sleepvraag
Kwekers van tomaten hebben soms last van bladluizen op hun gewassen. Om deze dieren te bestrijden, zetten ze lieveheersbeestjes uit. Lieveheersbeestjes leggen hun eitjes in bladluizenkolonies. Als de larven uit de eieren komen, eten ze de bladluizen op.
In welke schakel van de voedselketen komt de bladluis voor?
A
consumenten van de 1e orde
B
consumenten van de 2e orde
C
producenten
D
reducenten
Slide 5 - Quizvraag
In de afbeelding is een piramide van biomassa getekend.
Heeft een piramide van biomassa altijd de vorm van een piramide?
A
JA
B
NEE
Slide 6 - Quizvraag
Wat neemt de plant op van de stikstofkringloop?
A
Nitriet
B
Water
C
Glucose
D
Nitraat
Slide 7 - Quizvraag
Invloeden uit de levenloze natuur noem je ... factoren.
Slide 8 - Open vraag
Individu
Populatie
Levensgemeenschap
Ecosysteem
Slide 9 - Sleepvraag
leerdoelen
Je kunt uitleggen hoe dieren zijn aangepast aan hun leefomgeving.
Je kunt uitleggen hoe planten zijn aangepast aan hun leefomgeving.
Slide 10 - Tekstslide
schooltv.nl
Slide 11 - Link
Slide 12 - Tekstslide
Niet gestroomlijnd
Wel gestroomlijnd
Slide 13 - Tekstslide
Slide 14 - Tekstslide
Aanpassingen waterdier Gestroomlijnd
Alle waterdieren zijn altijd gestroomlijnd.
Het lichaam vormt één geheel.
Daardoor kunnen zij sneller door het water.
Slide 15 - Tekstslide
Welke dieren zijn gestroomlijnder?
A
landdieren
B
waterdieren
Slide 16 - Quizvraag
Slide 17 - Tekstslide
Zoolganger
Teenganger
Topganger
Slide 18 - Tekstslide
Een teenganger loopt op de tenen.
Voordeel: een teenganger kan snel lopen.
Nadeel: in zachte ondergronden zakken ze weg
Slide 19 - Tekstslide
Zoolgangers
De beer is een zoolganger
Ze lopen op de hele voet
Voordeel; Niet snel wegzakken
Nadeel: Zijn minder snel
Slide 20 - Tekstslide
Een hoefganger loopt op de toppen van de tenen.
De teen is bedekt met een hoef.
Voordeel: Een hoefganger kan nog sneller lopen.
Nadeel:
Slide 21 - Tekstslide
Zoolganger
Hoefganger
Teenganger
Loopt op de gehele voetzool
Loopt op de tenen.
Loopt op de top van de tenen.
tenen en nagels zijn vergroeid tot hoef.
Slide 22 - Sleepvraag
Waar horen honden bij?
A
hoefgangers
B
teengangers
C
zoolgangers
Slide 23 - Quizvraag
Aanpassen dieren aan temperatuur
gematigde omgeving
Koude omgeving: Warme omgeving: kleine oren en poten grote oren en poten
Slide 24 - Tekstslide
Hoe heeft de poolvos zich aangepast aan zijn omgeving?
A
kleur vacht valt niet op in de omgeving
B
hij kan heel erg goed sluipen
C
zachte vacht zorgt voor warmte
D
kleine oren daardoor minder verlies van warmte
Slide 25 - Quizvraag
Hoe raakt de woestijnvos zijn warmte kwijt?
A
doordat hij wit is
B
doordat hij hele grote oren heeft
C
door hard te rennen
Slide 26 - Quizvraag
Waarom hebben olifanten zulke stevige poten?
A
kunnen ze harder rennen
B
kunnen ze beter trappen
C
om hun zware skelet te kunnen dragen
Slide 27 - Quizvraag
Slide 28 - Tekstslide
Slide 29 - Tekstslide
Slide 30 - Tekstslide
Slide 31 - Tekstslide
Slide 32 - Tekstslide
Hoe gebruikt deze vogel zijn snavel bij het verkrijgen van voedsel?
A
kraakt noten en harde zaden
B
prikt bodemdiertjes uit de grond
C
verscheurt een prooi
D
zeeft kleine plantjes uit het water
Slide 33 - Quizvraag
Een struisvogel valt onder de groep
A
Loopvogels
B
Steltlopers
C
Roofvogels
D
Zangvogels
Slide 34 - Quizvraag
kegelsnavel
zeefsnavel
priemsnavel
pincetsnavel
haaksnavel
Slide 35 - Sleepvraag
Leerdoelen check
Je kunt uitleggen hoe dieren zijn aangepast aan hun leefomgeving.