33a De totale kosten zijn: 300.000+70.000+35.000+2.100 +1.500 = € 408.600,-
33b Deze onderneming heeft winst gemaakt.
De opbrengsten zijn hoger dan de kosten:
455.300 – 408.600 = € 46.700,-
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3
In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.
Onderdelen in deze les
33a De totale kosten zijn: 300.000+70.000+35.000+2.100 +1.500 = € 408.600,-
33b Deze onderneming heeft winst gemaakt.
De opbrengsten zijn hoger dan de kosten:
455.300 – 408.600 = € 46.700,-
Slide 1 - Tekstslide
33c
A is Saldo winst
B is € 46.700,-
C en D worden niet gebruikt (er is geen verlies)
E en F zijn de totalen, deze zijn € 455.300,-
33d De kosten- en opbrengstenkant moeten aan elkaar gelijk zijn. Daarom noteer je het saldo winst bij de kosten op en wanneer er verlies wordt gemaakt, tel je het saldo verlies bij de opbrengsten op.
38a De bewering is onjuist: de brutowinst kan niet hoger zijn dan de omzet (omzet – inkoopwaarde =
brutowinst).
38b De nettowinst (brutowinst - bedrijfskosten) =
45.000 - 20.000 = € 25.000,-
38c Omzet (brutowinst + inkoopwaarde) =
45.000 + 15.000 = € 60.000,-
Slide 8 - Tekstslide
39a Bij 52 taarten:
Totale opbrengsten: 52 × 7 = € 364,-
Totale kosten: 300 + (52 × 1) = € 352,- -/-
Winst € 12,-
39b Bij 47 taarten:
Totale opbrengsten: 47 × 7 = € 329,-
Totale kosten: € 300 + 47 × 1 = € 347,- -/-
Verlies € 18,-
39c Nieuw break-evenpunt: 300 ÷ (7 – 2) = 60 taarten, dus bij een verkoop van 60 taarten maak je geen verlies maar ook nog geen winst!
Slide 9 - Tekstslide
40a De TK-lijn begint niet in de oorsprong (bij nul) omdat er vaste kosten zijn. De totale kosten-lijn begint op de y-as bij de vaste kosten.
40b De onderneming maakt winst rechts van de
break-evenafzet en maakt verlies links van de
break-evenafzet. Dus meer dan de break-evenafzet is winst, minder is verlies.
Slide 10 - Tekstslide
41
700 ÷ (1,49 – (0,32 + 0,24)) = 753 blikjes.
ZIE OOK DE VOLGENDE SLIDE VOOR UITLEG / EXTRA
TOELICHTING.
Slide 11 - Tekstslide
Een verkoopprijs in de winkel is altijd inclusief BTW. Het bedrijf draagt devBTW af aan de belastingdienst.
Als je bezig bent met break-even punt berekening moet je dus de verkoopprijs exclusief BTW gebruiken.
Mocht er in een opgave dus expliciet vermeld worden dat de verkoopprijs incl. 9 % of 21% btw is, dan moet je EERST de verkoopprijs exclusief BTW berekenen.
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.