Periode 4 | Les 2, artikel schrijven onbekende sport

Nederlands
Periode 4 | Les 2

artikel schrijven onbekende sport




1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 27 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Nederlands
Periode 4 | Les 2

artikel schrijven onbekende sport




Slide 1 - Tekstslide

In deze les
  • Lesdoelen
  • Periode 4 + studiepunten
  • 15 minuten lezen (geen boek = 1e uur absent)
  • Uitleg + actieve werkvorm
  • Artikel schrijven

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het eind van deze les...
  • ... heb je gewerkt aan je concentratie, woordenschat en taalvaardigheden. 
  • ... weet je wat er van je verwacht wordt bij de opdracht 'artikel schrijven'. 
  • ... heb je een begin gemaakt met het schrijven van je artikel. 

Slide 3 - Tekstslide

Periode 4
  • Les 1: hoofdletters, aaneenschrijven, meervoudsvormen
  • Les 2: artikel schrijven onbekende sport
  • Les 3: artikel afronden en beoordeling
  • Les 4: presentatie voorbereiden
  • Les 5: presentaties
  • Les 6: afronden opdrachten Motile (laatste kans beoordeling artikel en presentatie)
Uitdelen studiepunten
  • Les 7: valt uit, door zomerkamp

Slide 4 - Tekstslide

Studiepunten
  • Beroepshouding (aanwezig, telefoongebruik, spullen voor elkaar, opletten, meedoen enz.)
  • Artikel geschreven en voldoende beoordeeld 
  • Presentatie gegeven en voldoende beoordeeld
  • Opdrachten in Motile af (hoofdletters, meervoudsvormen, aaneenschrijven)

Slide 5 - Tekstslide

Lezen
15 minuten lezen in je eigen boek, 
tijdschrift of strip. 
timer
15:00

Slide 6 - Tekstslide

Actieve werkvorm
  • Er zijn 4 onderwerpen: titel + tussenkopjes, inleiding, kern, afsluiting
  • Eerst wordt de theorie verteld -> maak aantekeningen.
  • Daarna krijg je een kleur kaartje met daarop één onderwerp. 
  • Er komt een lading propjes papier, die door het lokaal wordt verspreid. 
  • Op elk papiertje staat een tekst over 1 van de 4 onderwerpen. 
  • Zoek met je groepje zo snel mogelijk alle onderdelen die bij jouw onderwerp horen. 
  • Het groepje met de meeste goede antwoorden wint!

Slide 7 - Tekstslide

Theorie artikel schrijven
  • Schrijfplan
  1. Titel + tussenkopjes
  2. Inleiding
  3. Kern
  4. Afsluiting

Slide 8 - Tekstslide

Schrijfplan
Hoofdboodschap: Wat is in één zin de belangrijkste boodschap van de tekst?​

Doel: Wat wil je met de tekst bereiken?​
Lezer: Wie gaat de tekst lezen? ​
Structuur: Wat wordt in grote lijn de indeling van de tekst?


Slide 9 - Tekstslide

Schrijfplan

Slide 10 - Tekstslide

Titel
  • Prikkelend/ uitnodigend​
  • Mag een vraag zijn​
  • Informerend, aansluitend bij het onderwerp​

  • Zet geen punt achter de titel. Een vraagteken of uitroepen mag wel.




Slide 11 - Tekstslide

Tussenkopjes
  • Voeg tussenkopjes toe boven de alinea’s in de kern.​
  • Zet nooit een tussenkopje boven de inleiding en het slot.​
  • Zet nooit een punt achter de titel of achter een tussenkopje.​



Slide 12 - Tekstslide

Inleiding
  • Aandacht trekken​
  • Introductie onderwerp ​
  • Aanleiding benoemen, de reden waarom je dit artikel schrijft.


Slide 13 - Tekstslide

Hoe trek je de aandacht?
  • Schets een herkenbare situatie waar de lezer zich in herkent;
  • Geef een voorbeeld dat aansluit bij het onderwerp;
  • Speel in op het belang van de lezer en spreek hem persoonlijk aan;
  • Vertel een anekdote (een interessant of grappig verhaal) die de lezer aan het denken zet;​
  • Citeer een bekend persoon die iets over het onderwerp heeft gezegd.​
  • Vertel een interessant weetje / feit wat je lezer waarschijnlijk nog niet weet;​
  • Stel één of meerdere vragen aan de lezer (waarvan je de antwoorden verwerkt in de kern of in het slot).






Slide 14 - Tekstslide

Kern
  • Per alinea één deelonderwerp ​
  • Moeilijke begrippen leg je uit. Van de feiten die je gebruikt, vermeld je de bron. ​
  • Mening van iemand in de tekst? Zet de relatie van de persoon tot het onderwerp erbij. Bijv. Edwin van der Sar, oud profvoetballer.​
  • Zorg ervoor dat je verhaal lekker loopt. Dus dat je alinea’s en zinnen op elkaar aansluiten. Dit doe je door gebruik te maken van signaalwoorden.​
  • Voorkom saaie herhalingen. 
  • Let op: binnen de alinea schrijf je door.





Slide 15 - Tekstslide

Afsluiting
  • Geef een samenvatting of conclusie + slotzin​
  • Blijf objectief! Dus niet “ik denk dat” maar bijvoorbeeld: “uit onderzoek blijkt dus dat …” ​
  • Je mag geen nieuwe elementen/informatie toevoegen. ​
  • Probeer een ‘rond’ verhaal te maken. Het is mooi als je laatste zin aansluit bij of terugkomt op de genoemde anekdote uit de inleiding.​
  • Zorg ervoor dat het slot een indruk achterlaat op de lezer.​
  • De signaalwoorden die bij het slot van een beschouwing passen zijn: concluderend, dus, al met al en kortom. ​






Slide 16 - Tekstslide

Actieve werkvorm
  • 4 onderwerpen: titel + tussenkopjes, inleiding, kern, afsluiting
  • Je krijgt een kleur kaartje met daarop één onderwerp. 
  • Er komt een lading propjes papier, die door het lokaal wordt verspreid. 
  • Op elk papiertje staat een tekst over 1 van de 4 onderwerpen. 
  • Zoek met je groepje zo snel mogelijk alle onderdelen die bij jouw onderwerp horen en leg deze op de centrale plek (kleur). 
  • Er loopt een timer. Als deze is afgelopen ga je bij jouw kleur zitten. 
  • Daarna checken we de propjes. 

Slide 17 - Tekstslide

Actieve werkvorm
timer
2:00

Slide 18 - Tekstslide

Titel + tussenkopjes (6)
  • Het moet prikkelend en uitnodigend​ zijn. 
  • Het mag een vraag zijn​.
  • Het is informerend en aansluitend bij het onderwerp​.
  • Je mag er geen punt achter zetten. Een vraagteken of uitroepen mag wel.

  • Voeg ze (de tussenkopjes) toe boven de alinea’s in de kern.​
  • Zet er nooit één boven de inleiding en het slot.​ (tussenkopje)




Slide 19 - Tekstslide

Inleiding + aandacht trekken (8)
  • Hier introduceer je het onderwerp.
  • Aanleiding benoemen, de reden waarom je dit artikel schrijft.
  • Schets een situatie waar de lezer zich in herkent.
  • Geef een voorbeeld dat aansluit bij het onderwerp.
  • Speel in op het belang van de lezer en spreek hem persoonlijk aan.
  • Vertel een anekdote (een interessant of grappig verhaal) die de lezer aan het denken zet.​
  • Citeer een bekend persoon die iets over het onderwerp heeft gezegd.​
  • Stel één of meerdere vragen aan de lezer (waarvan je de antwoorden verwerkt in de kern of in het slot).

Slide 20 - Tekstslide

Kern (6)
  • Per alinea één deelonderwerp.
  • Moeilijke begrippen leg je uit. Van de feiten die je gebruikt, vermeld je de bron. ​
  • Mening van iemand in de tekst? Zet de relatie van de persoon tot het onderwerp erbij. Bijv. Edwin van der Sar, oud profvoetballer.​
  • Zorg ervoor dat je verhaal lekker loopt. Dus dat je alinea’s en zinnen op elkaar aansluiten. Dit doe je door gebruik te maken van signaalwoorden.​
  • Voorkom saaie herhalingen. 
  • Let op: binnen de alinea schrijf je door.





Slide 21 - Tekstslide

Afsluiting (6)
  • Geef een samenvatting of conclusie + slotzin​.
  • Blijf objectief! Dus niet “Ik denk dat...” maar bijvoorbeeld: “Uit onderzoek blijkt dus dat …”.
  • Je mag hier geen nieuwe elementen of informatie toevoegen.
  • Probeer een ‘rond’ verhaal te maken. Het is mooi als je laatste zin aansluit bij of terugkomt op de genoemde anekdote uit de inleiding.​
  • Zorg ervoor dat het (slot) een indruk achterlaat op de lezer.
  • De signaalwoorden die hierin staan, passen bij een beschouwing: concluderend, dus, al met al en kortom. ​






Slide 22 - Tekstslide

Artikel schrijven
Jullie gaan in duo’s als eigenaren van een sportschool een nog relatief onbekende sport introduceren. Hierover gaan jullie een informerend artikel schrijven (zie theorie) voor de nieuwsbrief van jullie sportschool. Leden ontvangen deze dus. 

Het doel is informeren

De onderwerpen waar jullie uit mogen kiezen zijn: Spikeball, Crossnet, Bossaball, hurling, lacross, KanJam, YOU FO, floatfit, stokpaardrijden, zeemeerminfitness, SUP yoga, kanopolo, Aerial Hoop, onderwater hockey, Antigravity yoga. 

Slide 23 - Tekstslide

Verwerk deze punten:
  • Introduceer op een leuke/ creatieve manier het onderwerp. 
  • Leg uit waarom jullie voor deze sport gekozen hebben en waarom is deze sport interessant voor jullie sportschool?
  • Vertel wat de sport inhoudt (hoe en waar ontstaan , doel, materialen, locatie, aantal personen/teams, spelregels, competitievorm).
  • Welke kosten zijn hieraan verbonden?
  • Voor wie is deze sport interessant? Maak een vergelijking met een soortgelijke sport. Beschrijf minimaal twee overeenkomsten en twee verschillen.
  • Geef aan vanaf wanneer deze nieuwe sport op het lesrooster staat.
  • Geschreven door: je voornaam en achternaam

Slide 24 - Tekstslide

Verwerk deze punten:
  • Voeg onder aan je artikel nog het volgende toe:

Geef ieder apart je persoonlijke voorkeur voor één van de twee sporten die je met elkaar vergeleken hebt. Leg je antwoord uit met minimaal twee argumenten.

Slide 25 - Tekstslide

Eindproduct
Hoe ziet jullie artikel er dan uit?

Titel
Inleiding
Kern (meerdere alinea’s)
Slot
Geschreven door: ...

Persoonlijke voorkeur

Voeg een plaatje van de sport toe.
Tussen alle onderdelen komt een witregel.


Slide 26 - Tekstslide

Gebruik AI
  • Eerst zelf het artikel schrijven -> de ruwe versie. 
  • Daarna AI gebruiken om te checken op hoofdletters, punten, komma's en zinsopbouw. 
  • Laat mij jullie ruwe versie én jullie gecontroleerde versie zien. 
  • Vertel mij wat jullie ervan geleerd hebben.

Slide 27 - Tekstslide