Woensdag 19-3

Welkom klas 4E
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
BurgerschapPraktijkonderwijsLeerjaar 4

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Welkom klas 4E

Slide 1 - Tekstslide

Mededelingen
niet door.

Absentie: 
Vragen:




Slide 2 - Tekstslide

Goedemorgen allemaal

Fijn om jullie allemaal weer te zien!
woensdag
19-03-2025
8:30 incheck
8:40 Stage verslag + Rondom baaz
9:00 Nederlands
9:30 balletjes gooien
9:40 rekenen/zelfstandig werken















12:45 Burgerschap: Kies Hoofdstuk 4
13:45 
Portfolio - Zelfstandig werken weektaak
Typen/afmaken 


Thema Oase:


Tekst

Slide 3 - Tekstslide

Via Vervolg 
thema 3 

Spelling en grammatica

Slide 4 - Tekstslide

Ik Liep naar huis in de regen

Zij spelen muziek tijdens de markt

Het viooltje groeit dankzij het zonlicht

Slide 5 - Tekstslide

Voltooid deelwoord
Een voltooid deelwoord is een werkwoord dat aangeeft dat iets is gebeurt.
Een voltooid deelwoord begint altijd met een voorvoegsel: ge-, ver-, her-, er-, be-, of ont-.
Een voltooid deelwoord eindigt op -d, -t of (e)n. een voltooid deelwoord eindigt nooit op -dt.

Voorbeeld: ik ben bestolen. of wij hebben gekocht.


Slide 6 - Tekstslide

bij een voltooid deelwoord hoort altijd een hulpwerkwoord.
Bijvoorbeeld: ik heb verduisterd. of Hij heeft gegeten.

Je hebt sterke en zwakke werkwoorden.
Sterke werkwoorden krijgen een ander klank in de verleden tijd.
voorbeeld: Lopen --> Liepen
Bij sterke werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord op -(e)n


Slide 7 - Tekstslide

Zwakke werkwoorden veranderen niet van klank in de verleden tijd:
Bij voorbeeld: spelen --> speelden

Bij een zwak werkwoord eindigt het voltooid deelwoord op een -d of -t.
 Maar hoe weet je nou welke je moet gebruiken?

Slide 8 - Tekstslide

'T X KoFSCHiP
Als de stam van het werkwoord eindigt op een letter uit
 'T X KoFSCHiP dan moet er een -t achter de stam
Voorbeeld:
Hele werkwoord = Stoppen, Stam = Stopp, Voltooid deelwoord = Gestopt
Hele werkwoord = Spelen, Stam = Spel, Voltooid deelwoord = Gespeeld

Slide 9 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde
Zijn alle werkwoorden in een zin. Voorbeelden:

Ik loop naar huis. 
Werkwoordelijk gezegde = loop

Hij heeft naar huis gebeld. 
Werkwoordelijk gezegde= heeft gebeld



Slide 10 - Tekstslide