WW être (présent)

être = zijn
présent = tegenwoordige tijd

Volg de les, maak de aantekeningen en oefeningen
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

être = zijn
présent = tegenwoordige tijd

Volg de les, maak de aantekeningen en oefeningen

Slide 1 - Tekstslide

être = zijn
Ken je al Franse voorbeelden of zinnen met het werkwoord zijn erin?
Schrijf ze op.

Slide 2 - Woordweb

Ken je de persoonlijke voornaamwoorden nog?
Sleep NL naar FA.
IK
JIJ
HIJ
ZIJ (1 persoon)
WIJ / MEN
WIJ
U / JULLIE
ZIJ (ml + mv)
ZIJ (vl + mv)
JE
TU
IL
ELLE
ON
NOUS
VOUS
ILS
ELLES

Slide 3 - Sleepvraag

être

  • je suis
  • tu es
  • il est
  • elle est
  • on est
  • nous sommes
  • vous êtes
  • ils sont
  • elles sont
zijn

  • ik ben
  • jij bent
  • hij is
  • zij is
  • wij zijn / men is
  • wij zijn
  • u bent / jullie zijn
  • zij zijn (ml + mv)
  • zij zijn (vr + mv)

Slide 4 - Tekstslide

Let op!
Het is / dit is / dat is = c'est
Het zijn / dit zijn / dat zijn = ce sont

Slide 5 - Tekstslide

être
=
 zijn




il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je
sommes
sont
suis
êtes
es
est

Slide 6 - Sleepvraag

Ik ben
jij bent
hij is
men is / wij zijn
wij zijn
u bent / jullie zijn
zij zijn (ml + mv)
zij zijn (vr + mv)
zij is

Slide 7 - Sleepvraag

Hoe zeg je:
hij is

Slide 8 - Open vraag

Hoe zeg je:
jullie zijn

Slide 9 - Open vraag

On est betekent:
A
wij zijn
B
men is
C
wij zijn & men is
D
jullie zijn

Slide 10 - Quizvraag

Je suis de Bunnik.
bekent:
A
Ik kom uit Bunnik.
B
Ik ga naar Bunnik.
C
Ik hou van Bunnik.
D
Ik verhuis naar Bunnik.

Slide 11 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Frans:
dat is een hond

Slide 12 - Open vraag

Hoe zeg je in het Frans:
Dat zijn 4 vissen.
A
Ce sont quatre chats.
B
Ce sont trois poissons.
C
Ce sont trois chiens.
D
Ce sont quatre poissons.

Slide 13 - Quizvraag

être
=
 zijn




il/elle/on est
nous sommes
vous êtes
ils/elles sont
tu es
je suis
wij zijn
zij zijn (ml&vr)
ik ben
u bent & jullie zijn
jij bent
hij/zij/men is (wij zijn)

Slide 14 - Sleepvraag

Hoe goed ken je het werkwoord être al?
0100

Slide 15 - Poll

Is het nodig om nog extra te oefenen?
A
Ja
B
Nee
C
Een beetje

Slide 16 - Quizvraag

Keuze
actie 1
actie 2
actie 3
Ja
kijk de videos die hierna komen en maak de opdrachten
= extra uitleg + oefenen
slimstampen online
= extra leren
verbuga.eu
= bewijs met goede score
een beetje
kijk de videos die hierna komen en maak de opdrachten
= extra uitleg + oefenen
verbuga.eu
= bewijs met goede score
nee
maak de oefeningen voor extra uitdaging
verbuga.eu
= bewijs met goede score

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

9

Slide 19 - Video

00:00
Le vidéo du verbe
Kijk de video over het werkwoord être en maak de vragen die voorbij komen.

Slide 20 - Tekstslide

00:33
Wat is het verschil tussen:
ils sont & elles sont

Slide 21 - Open vraag

00:44
Hij zegt: on ne prononce pas le S et le T à la fin.
Wat bedoelt hij?
A
De S en de T moet je duidelijk zeggen.
B
De S en de T schrijf je wel, maar zeg je niet

Slide 22 - Quizvraag

00:46
Répétez encore
Luister en zeg na.
Oefen je uitspraak.

Slide 23 - Tekstslide

01:52
Bekijk de voorbeelden en maak de vragen.

Slide 24 - Tekstslide

02:00
Welke nationaliteiten werden er genoemd?
A
Frans, Italiaans, Duits
B
Italiaans, Frans, Engels
C
Spaans, Frans, Italiaans
D
Spaans, Italiaans, Duits

Slide 25 - Quizvraag

02:20
Deze vraag ging over professions.
Wat is het Nederlandse woord voor PROFESSION?

Slide 26 - Open vraag

02:27

Hoe zeg je: ik kom uit Houten
(of andere woonplaats)
Luister het voorbeeld: je suis de Barcelone.

Slide 27 - Open vraag

Uit je hoofd: schrijf zoveel mogelijk vormen van het werkwoord être op.
Voeg de NLse betekenis toe.

Slide 28 - Woordweb

00:33
Wat is de betekenis van:
nous sommes

Slide 29 - Open vraag

Schrijf in het Frans:
Ik kom uit Houten.

Slide 30 - Open vraag

Schrijf in het Frans:
Dat is een kat.

Slide 31 - Open vraag