BK unit 6 week 13

BK unit 6 week 13
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

BK unit 6 week 13

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

was/were

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik gebruik "was en were" ....
A
Tegenwoordige tijd
B
Verleden tijd
C
Altijd
D
Nooit

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I
You
He
She
It
We
You 
They
Welke gebruik je voor elke persoonsvorm?
was
was
was
was
were
were
were
were

Slide 4 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hulpwerkwoord: WAS/WERE
                                     Positives       Negatives         Questions
I                                    was                  wasn't                Was I?
YOU                            were                weren't              Were I?
SHE/HE/IT               was                  wasn't                Was she/he/it?
WE                              were                weren't              Were we?
THEY                          were                weren't              Were they?


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Was of Were?
was
were
Emily
The children
My sister
She
We
You
I
They

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

I understand was/were
😒🙁😐🙂😃

Slide 7 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

comparisons

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekend ''comparisons'' in het Nederlands?
A
Vergroten
B
Verkennen
C
Vergelijkingen
D
Begrijpen

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose (comparisons)

Quiet
A
more quiet
B
much quiet
C
quieter
D
quiet

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons: welke is onjuist?
A
far - further - furthest
B
little - less - least
C
bad - badder - baddest
D
good - better - best

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Degrees of Comparison

good - ........ - ........
A
good - better - bestest
B
good - better - best
C
good - gooder -goodest

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which comparison is correct?
A
I'm quicker then him
B
They walk faster then me
C
Please be carefuller next time!
D
I like playing football better than playing hockey

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons, which is correct?
A
Bad -> worse -> worst
B
Bad -> badder -> baddest
C
Bad -> worst -> baddest
D
Bad -> worse -> baddest

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons: welke is onjuist?
A
big - biger - biggest
B
good - better - best
C
busy - busier -busiest
D
nice - nicer - nicest

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons
thin
A
thin
B
more thin
C
thiner
D
thinner

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which comparison is incorrect?
A
Longest
B
Ugliest
C
Handsomest
D
Smartest

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I understand comparisons
😒🙁😐🙂😃

Slide 19 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

WH-vragen

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel van de 7 wh-vragen weet jij nog?

Slide 21 - Woordweb

Which vegetables do you already know?
Activating pre-knowledge. Again make use of WH-questions.
Fill in the right WH-question word:

______ kind of sandwich is this?
A
Which
B
Who
C
What
D
All three are possible.

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which WH-question is correct?
A
Who does she see yesterday?
B
Who did she see yesteray?
C
Who did she sees yesterday?
D
Who did she saw yesterday?

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Fill in the correct question words to make wh-questions that match the answers.




1.  ________    are your goals for your athletic career?

2. ______    is it important to practise every day?

3. ______  did you start playing first? 

4. ________  do you practise and how many times a week?

5. ________ has supported you the most during your sport career?
 
Who
Whose
What
Which 
Where
How
Why
When

Slide 24 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Fill in the right WH-question word:

____ is the toilet?
A
Whose
B
When
C
Where
D
Who

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct wh-question.
..... tall are you?
A
who
B
when
C
which
D
how

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Drag the correct wh-question to the best fitting sentence.
did you travel to school?
did your aunt live?
ice cream flavour would you like?
was your favourite subject?
was that boy talking to?
did you have your test?
were those books on the table?
How
Where
Which
What
Who
When
Why

Slide 27 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which wh- question is correct?

A
When did he lose his phone?
B
When did he lost his phone?

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I understand the wh-questions
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

A / An

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A / AN
___ airplane.

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

a / an

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is correct: a or an?
A
AN
university
elephant
 man
Hour
CD
VIP
chair
umbrella
school
exam
ticket

Slide 33 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

A/ AN
.... hour

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

A / AN
____ house.

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

child
apple
house
uniform
hour
M&M
A
A
A
An
An
An

Slide 36 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

hour (a/an)

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

I understand a/an
😒🙁😐🙂😃

Slide 38 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

StudyGo
Zorg dat alle woordenlijsten van unit 5 + 6 erin staan en laat het zien!

Tijd over = woordjes oefenen van unit 6

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies