TL BVJ 4.1 Ontwikkeling van het leven op aarde

H1: ontwikkeling van het leven op aarde
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H1: ontwikkeling van het leven op aarde

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoel
  • Je kunt een tijdbalk van het leven op aarde en een stamboom van organismen aflezen.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

eerste levensvormen: 38oo miljoen jaar geleden, in het water, nog geen zuurstof in de lucht
hieruit de eerste bacteriën. Een aantal hiervan kon zuurstof produceren
3300 miljoen jaar geleden: eencellige organismen die fotosynthese konden
meer zuurstof in het water en in de lucht
1600 miljoen jaar geleden: meercellige organismen
700 miljoen jaar geleden: eerste dieren in oceanen en zeeën 
op het land alleen nog bacterien

Slide 4 - Tekstslide

450 miljoen jaar geleden: de eerste landdieren: geleedpotigen
251 miljoen jaar geleden: bloeitijd reptielen, maar ook alle andere soorten gewervelden
     zoogdieren                          vogels                         amfibien                        reptielen

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Ontwikkelingen van het leven op aarde
Geologische tijdschaal

Deze is onderverdeeld in tijdperken

De tijdperken zijn weer onderverdeeld in perioden 

Slide 7 - Tekstslide

Wanneer en hoe stierven de dinosauriërs uit?

Slide 8 - Open vraag

Geologische 
tijdschaal
 
Een tijdperk is een 
lange periode
waarin veel gebeurd 
is. 

Slide 10 - Tekstslide

Darwin vinken
Tijdens de reis van Darwin op de the beagle kwam hij op de Galapagoseilanden.

Op deze eilanden vond hij vinken die allemaal wel op elkaar leken maar toch net iets anders waren. 

Elk eiland had een andere voedselbron voor de vinken. De vinken hadden zich aangepast met hun snavel op de voedselbron

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Ontwikkelingen van het leven op aarde
  • Soorten die een gemeenschappelijke voorouder hebben, vertonen verwantschap
  • Hoe jonger de gemeenschappelijke voorouder in een stamboom zit, hoe meer verwant groepen zijn.
Stambomen en 
verwantschap

Slide 15 - Tekstslide

Hoe lees je zo'n stamboom?

afb. 3 aanvullen

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Ontwikkelingen van het leven op aarde
De mens stamt niet af van de apen, maar apen en mensen hebben dezelfde gemeenschappelijke voorouder

Slide 18 - Tekstslide

Neadertaler                          
        Homo sapiens                                        

        4%

Slide 19 - Tekstslide

Aan de slag...
Maken en nakijken/ verbeteren 
4.1 Ontwikkeling van het leven op aarde

Slide 20 - Tekstslide

Wat kwam er als eerst op aarde?
A
Bacteriën
B
Zuurstof
C
Dieren
D
Eencellige planten

Slide 21 - Quizvraag

Een geologische tijdschaal is ingedeeld in tijdperken
A
Juist
B
Onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Hoe herken je in een stamboom een bloeiperiode van een groep organismen (dat er heel veel van zijn)?
A
De lijnen worden dikker
B
De lijnen worden dunner
C
De lijnen veranderen van kleur

Slide 23 - Quizvraag

Welke soort is het meest recent ontstaan:
A of C?


A
A
B
C

Slide 24 - Quizvraag



Soort B toont het meeste verwantschap met
soort: A of C?
A
A
B
C

Slide 25 - Quizvraag

Er worden twee uitspraken gedaan

1- De lippenbeer is meer verwant aan de
bruine beer dan aan de brilbeer.
2- De voorouders van de reuzenpanda
begonnen hun ontwikkeling als aparte groep
meer dan 24 miljoen jaar geleden.

zijn deze uitspraken juist?
A
geen van beide zijn juist
B
beide zijn juist
C
alleen de 1e is juist
D
alleen de 2e is juist

Slide 26 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen familiestamboom en een evolutionaire stamboom?
A
het is hetzelfde
B
familiestamboom: erfelijke eigenschappen evol. stamb.: verwantschap
C
Ze lijken uiterlijk op elkaar
D
evol. stamb.: erfelijke eigenschappen. familiestamb.: verwantschap

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent het als groepen organismen verwant zijn?
A
Ze hebben hetzelfde leefgebied
B
Ze hebben gemeenschappelijke voorouders
C
Ze lijken uiterlijk op elkaar

Slide 28 - Quizvraag