Verwijswoorden

TOETS 3

Taalverzorging
Leesvaardigheid
Verwijswoorden
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

TOETS 3

Taalverzorging
Leesvaardigheid
Verwijswoorden

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem de leesstrategieën.

Slide 2 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Noem 5 tekstdoelen en geef bij ieder doel een tekstsoort aan.

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden!!!
onderdeel!
Verwijswoorden.

HUNNIE hebben DAT DAAR gedaan!

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden vervangen woorden die eerder zijn genoemd.

Je kunt verschillende verwijswoorden tegenkomen of gebruiken.
verwijswoorden

hij- hem- haar - zij 
die - deze - dat - dit 
daar - hier - er (plaats)
toen - dan (tijd)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden
De verwijswoorden dat, die en wat hebben we in de vorige paragraaf behandeld. Maar er zijn meer verwijswoorden.

De verwijswoorden waarmee, waaronder en waardoor verwijzen naar dingen.
Met wie, aan wie, door wie verwijzen naar personen.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden
Mijn vader kwam gisteren laat thuis en nu is hij erg moe.
Hij verwijst hier naar mijn vader -> een verwijswoord.
Hij, zij, dat, die en daar zijn vaak verwijswoorden.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden
Kies het juiste verwijswoord:





mannelijk/vrouwelijk? Kijk in het woordenboek.
het-woorden (onzijdig)
het, zijn
dat, dit
de-woorden (mannelijk)
hij, hem, zijn
die, deze
de-woorden (vrouwelijk)
zij/ze, haar
die, deze
meervoud
zij/ze, hen, hun
die, deze

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hebben 
een ticket
voor
verdiend.
gaan
dus
naar
de Olympische spelen.
te stellen
hopen
hoge eisen
aan het team.
Sleep alle verwijswoorden naar een vak onder de zin.
timer
1:00
verwijswoord
verwijswoord
verwijswoord
Zij
Daar
ze
De Nederlandse voetballers
Rio de Janerio

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden horen in deze zin? 
Sleep de verwijswoorden naar de goede plaats.
Er kunnen meerdere verwijswoorden goed zijn als antwoord. 
Vera doet het trucje voor.    ________  zegt:

‘Zo moet je ________ doen.’
deze
die
dit
dat
hij
zij
het

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Signaalwoord
Verwijswoord
omdat 
dus
hoewel
en
hij 
zij
die
dat

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden horen in deze zin? 
Sleep de verwijswoorden naar de goede plaats.
Het drumstel is van Davids vader, 

maar ________ gebruikt ________ niet meer.
deze
die
dit
dat
hij
zij
het
ze

Slide 12 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden horen in deze zin? 
Sleep de verwijswoorden naar de goede plaats.
Er kunnen meerdere verwijswoorden goed zijn als antwoord. 
Vorige maand bezocht mijn familie uit Australië ons en
 ...            was echt een verassing.
deze
die
dit
dat
hij
zij
het

Slide 13 - Sleepvraag

Herhaling paragraaf 3.
De helft van de mensen op dat schip gaan naar Ibiza. Daar is een feest voor hen georganiseerd. Waar verwijzen "daar" en "hen" naar?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Mevrouw Cavadino heeft twee leerlingen een lolly gegeven. Zij gaf deze, omdat ze zo goed hadden gewerkt.
Waar verwijzen "zij", "deze" en "ze" naar?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Je krijgt opdrachten. Bij iedere tekst moet je de 5 vragen beantwoorden.
1W, L en 1K hoeven niet vraag 4 over de signaalwoorden te maken.
Klaar? 
Verder met 5.3 opdrachten 1 t/m 8 1W en 1L
4.3 afmaken 2Q en 1K

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies