NaSk1 H6

NaSk1 H6
Warmte
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 48 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

NaSk1 H6
Warmte

Slide 1 - Tekstslide

Mijn verwachtingen:
Als ik praat verwacht ik dat je stil bent en op let.
Ik verwacht dat je pen en papier op de tafel hebt liggen als ik start met de les.
Ik verwacht dat je een aantekening maakt als ik dit vraag.
Ik verwacht dat je de hand op steekt als je iets wilt zeggen of vragen. Wacht dan op je beurt.

Slide 2 - Tekstslide

Toetsing:
PTA toets van hoofdstuk 6 en 8 in de proefwerkweek.
Deze periode hoofdstuk 6 en begin volgende periode hoofdstuk 8.
Voor beide hoofdstukken krijg je een huiswerk cijfer.
Ik ga elke week bijhouden wie het huiswerk serieus heeft gemaakt.
Hieruit volgt een cijfer voor deze periode.

Slide 3 - Tekstslide

Introductie

Slide 4 - Tekstslide

Vloeistof thermometer

Slide 5 - Tekstslide

Thermometer ijken

Slide 6 - Tekstslide

Spanning/ Stoomsterkte
Spanning:
Dit is de pompkracht wat er voor zorgt dat een apparaat werkt.
Stroomsterkte: 
De hoeveelheid elektronen die in een seconde door het draadje heen lopen. 





grootheid
symbool
eenheid
symbool
spanning
U
volt
V
Stroomsterkte
I
Ampère 
A

Slide 7 - Tekstslide

Spanning
Spannings-bronnen hebben niet allemaal dezelfde spanning.


Uit het stopcontact komt 230 Volt.

Slide 8 - Tekstslide

Vermogen
Hoeveel energie het apparaat verbruikt.
Symbool vermogen = P (Power)
Eenheid vermogen = W (Watt)

Het vermogen van de stofzuiger is 
800 Watt

P = 800 W

Slide 9 - Tekstslide

Vermogen

Een apparaat met meer vermogen (meer Watt) is sterker dan een apparaat met minder vermogen. 


Slide 10 - Tekstslide

Vermogen berekenen
vermogen = spanning x stroomsterkte
P = U x I
U = P / I
I = P / U


Slide 11 - Tekstslide

Hoe berekenen we het vermogen binnen een bepaalde tijd?
Energieverbruik(kWh) = vermogen (W) x de tijd (h)

E = P x t

Energieverbruik in kilowattuur  (kWh)
Vermogen in kilowatt (kW)
Tijd in uur (h)

Slide 12 - Tekstslide

Kelvin
Omrekenen van Kelvin naar graden Celsius



Temperatuur in graden Celsius = Temperatuur in Kelvin - 273
Temperatuur in Kelvin = Temperatuur in graden Celsius + 273



Slide 13 - Tekstslide

Huiswerk
De opdrachten van de introductie maken.

Slide 14 - Tekstslide

Paragraaf 6.1
Warmte en temperatuur

Slide 15 - Tekstslide

Mijn verwachtingen:
Als ik praat verwacht ik dat je stil bent en op let.
Ik verwacht dat je pen en papier op de tafel hebt liggen als ik start met de les.
Ik verwacht dat je een aantekening maakt als ik dit vraag.
Ik verwacht dat je de hand op steekt als je iets wilt zeggen of vragen. Wacht dan op je beurt.

Slide 16 - Tekstslide

Leerdoelen:
Je kunt vier elektrische warmtebronnen noemen die je in huis of op school gebruikt.
Je kunt het energie-stroomdiagram van een elektrische warmtebron tekenen en toelichten.
Je kunt berekenen hoeveel warmte een elektrische warmtebron in een bepaalde tijd levert.
Je kunt het verband tussen temperatuur en tijd meten en weergeven in een diagram.
Je kunt het verband tussen temperatuur en warmte bepalen en weergeven in een diagram.

Slide 17 - Tekstslide

Warmtebronnen
Een warmtebron is alles waar warmte vanaf komt.

Elektrische warmtebronnen gebruiken elektriciteit om warmte te maken.

Slide 18 - Tekstslide

Energiestroomdiagram 
Elektrische energie wordt in warmte omgezet!
E=Pt=Q
E = elektrische energie

Q = warmte energie

Slide 19 - Tekstslide

Uit de voorkennis:
Energieverbruik (kWh) = vermogen (kW) x de tijd (h)
Energie(J) = vermogen (W) x de tijd (s)
E = P x t    ->     Q staat gelijk aan E
Dus:       E = P x t en Q = P x t


Grootheid
Symbool
Eenheid
Afkorting
Energie
E
Joule
J
Warmte energie
Q
Joule
J

Slide 20 - Tekstslide

Een waterkoker met een vermogen van 2400 W doet er 25 s over om 175 mL water aan de kook te brengen. Je hebt dan genoeg heet water voor één kop thee.
Bereken hoeveel warmte de waterkoker in die 25 s heeft geleverd.



Gegevens: P = 2400 W      t = 25 s
Gevraagd:   Q = ?

Uitwerking:
Q = E = P · t
Q = 2400 × 25 = 60 000 J = 60 kJ



Slide 21 - Tekstslide

Warmte energie van het boordrooster
Gegevens:

Gevraagd:

Uitwerking:
stopwatch
00:00

Slide 22 - Tekstslide

Temperatuur-tijd diagram
De temperatuursverandering kan ik in een Temperatuur-tijd diagram weergeven.

Slide 23 - Tekstslide

Warmte meten 
  • Een warmtemeter is een goed geïsoleerd bakje van metaal of plastic. 

  • Met een warmtemeter kun je nauwkeurig het verband bepalen tussen de temperatuur en de hoeveelheid toegevoerde warmte.   

Slide 24 - Tekstslide

Temperatuur-warmte diagram
Dit kunnen de uitkomsten van een warmtemeter zijn.

Deze bevindingen kan ik ook in een diagram verwerken.

Slide 25 - Tekstslide

Voorbeeld:
Isha heeft 50 mL water verwarmd met een warmtemeter. Ze heeft haar meetresultaten weergegeven in het temperatuur-warmtediagram.
Bepaal met het diagram hoeveel warmte ervoor nodig is om het water aan de kook te brengen.

Het water begint te koken als de temperatuur 100 °C is. Als je de grafiek doortrekt, kun je aflezen dat bij 100 °C (op de verticale as) 18 kJ (op de horizontale as) hoort. Er is dus 18 kJ warmte nodig.

Slide 26 - Tekstslide

Huiswerk:
Lees en maak paragraaf 6.1 (opdracht 1 t/m 6 en 9)

Slide 27 - Tekstslide

Paragraaf 6.2
Brandstoffen verbranden

Slide 28 - Tekstslide

Als ik praat verwacht ik dat je stil bent en op let.
Ik verwacht dat je pen en papier op de tafel hebt liggen als ik start met de les.
Ik verwacht dat je een aantekening maakt als ik dit vraag.
Ik verwacht dat je de hand op steekt als je iets wilt zeggen of vragen. Wacht dan op je beurt.

Slide 29 - Tekstslide

Leerdoelen:
Je kunt drie voorbeelden geven van warmtebronnen die chemische energie verbruiken.
Je kunt berekeningen uitvoeren met de verbrandingswarmte van een brandstof.
Je kunt het reactieschema van de volledige verbranding van aardgas noteren.
Je kunt uitleggen waarom je bij gastoestellen voor voldoende luchttoevoer moet zorgen.
Je kunt beschrijven hoe je op een veilige manier met een gasbrander kunt werken.
Je kunt de temperatuur omrekenen van graden Celsius (°C) naar kelvin (K), en omgekeerd.

Slide 30 - Tekstslide

Waarom verbrand je brandstoffen? 
  • Brandstoffen worden verbrand voor hun energie.
  • Chemische energie wordt omgezet in warmte-energie


Je kunt energie omzetten in een andere vorm van energie -> licht, elektriciteit, warmte, beweging



Slide 31 - Tekstslide

Verbrandingswarmte 
  • Elke brandstof heeft zijn eigen verbrandingswarmte. 

  • Dat is de hoeveelheid warmte die een bepaalde hoeveelheid brandstof kan leveren. 

Wordt aangegeven in Megajoule per kubieke meter.

Slide 32 - Tekstslide

Aardgas
Aardgas is een mengsel van verschillende gassen (ongeveer 80% methaan en ongeveer 14% stikstof).

Methaan en stikstof zijn kleurloze en reukloze gassen. Daarom wordt aan aardgas een beetje geurstof toegevoegd.

Slide 33 - Tekstslide

Aardgas verbranden
(volledige verbranding)

Slide 34 - Tekstslide

Onvolledige verbranding
Als er te weinig zuurstof bij het vuur komt, gaat de brander uit of brandt de vlam niet goed.

De vlammen zijn dan geel en niet blauw. Er ontstaat dan roet en het heel erg giftig gas:
KOOLSTOF-MONO-OXIDE

Slide 35 - Tekstslide

Kelvin
0 Kelvin is het absolute nulpunt.

273 Kelvin is 0 graden Celsius
0 Kelvin is -273 graden Celsius.

Slide 36 - Tekstslide

Huiswerk:
Lees en maak: Paragraaf 6.2 (opdracht 1 t/m 6, 9 en 10)
Gebruik de overige tijd om aan je huiswerk te werken!

Slide 37 - Tekstslide

Paragraaf 6.3
Warmtetransport

Slide 38 - Tekstslide

Als ik praat verwacht ik dat je stil bent en op let.
Ik verwacht dat je pen en papier op de tafel hebt liggen als ik start met de les.
Ik verwacht dat je een aantekening maakt als ik dit vraag.
Ik verwacht dat je de hand op steekt als je iets wilt zeggen of vragen. Wacht dan op je beurt.

Slide 39 - Tekstslide

Leerdoelen
Je kunt drie vormen van warmtetransport noemen en de verschillen toelichten.
Je kunt met voorbeelden toelichten hoe warmte wordt vervoerd door geleiding.
Je kunt drie voorbeelden geven van goede en drie van slechte warmtegeleiders.
Je kunt met voorbeelden toelichten hoe warmte wordt vervoerd door stroming.
Je kunt met voorbeelden toelichten hoe warmte wordt vervoerd door straling.
Je kunt uitleggen welke voorwerpen straling goed absorberen en welke niet.

Slide 40 - Tekstslide

De centrale verwarming
Om een huis of een woning te verwarmen gebruiken we een cv ketel.

Deze cv ketel is onderdeel van de centrale verwarming.
Daarbij kom je verschillende vormen van warmtetransport tegen.

Slide 41 - Tekstslide

Geleiding
Bij geleiding verplaatst de warmte zich door de stof.
Een stof die warmte goed geleid noemen wij een:
Warmtegeleider.

Slide 42 - Tekstslide

Stroming
Bij stroming verplaatst de warmte zich door de ruimte door het bewegen van de stof. Let op, warmte stijgt altijd!

Slide 43 - Tekstslide

Straling
Bij straling verplaatst warmte dat zich zonder tussenstof.

Slide 44 - Tekstslide

Weerkaatsen en absorberen
Voorwerpen kunnen dus warmte uitzenden, maar ook absorberen (opnemen).

  • Zwarte en donkere voorwerpen absorberen de warmte goed.
  • Witte en glimmende voorwerpen absorberen minder goed en kunnen warmte weerkaatsen. 

Slide 45 - Tekstslide

Warmtetransport en Temperatuur
Door warmtetransport ontstaan er temperatuurverschillen.

Deze verschillen zijn merkbaar.

Slide 46 - Tekstslide

Terugkoppeling leerdoelen
Je kunt drie vormen van warmtetransport noemen en de verschillen toelichten.
Je kunt met voorbeelden toelichten hoe warmte wordt vervoerd door geleiding.
Je kunt drie voorbeelden geven van goede en drie van slechte warmtegeleiders.
Je kunt met voorbeelden toelichten hoe warmte wordt vervoerd door stroming.
Je kunt met voorbeelden toelichten hoe warmte wordt vervoerd door straling.
Je kunt uitleggen welke voorwerpen straling goed absorberen en welke niet.

Slide 47 - Tekstslide

Huiswerk:
Lees en maak: Paragraaf 6.3 (opdracht 1 t/m 10)

Slide 48 - Tekstslide