week 13

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?
  • noticias
  • los deberes 
  • la familia
  • los posesivos
  • verbos regulares (ar-er-ir)
Semana 13
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?
  • noticias
  • los deberes 
  • la familia
  • los posesivos
  • verbos regulares (ar-er-ir)
Semana 13

Slide 1 - Tekstslide

Argumentar
https://www.spanjevandaag.com/23/03/2025/nieuwe-wet-voedselverspilling-terugdringen-spanje/

Slide 2 - Tekstslide

Los deberes
L: woorden blok 1 en2
regelmatige werkwoorden -ar,-er,-ir , ser, tener en llamarse
bezittelijke voornaamwoorden
Maak:
LE: OPDR 3.8


Slide 3 - Tekstslide

Corregir los deberes 
L: woorden blok 1, la familia
regelmatige werkwoorden -ar,-er,-ir 
Maak: LA: P 56, 57 OPDR 2, 3, 4
LE: OPDR 3.24, 3.25, 3.26, 3.27, 3.28, 3.29, 3.30,


Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Leerdoel
  • Ik ken de bezittelijke voornaamwoorden in het Spaans en ik kan ze gebruiken

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Met de bezittelijke voornaamwoorden kun ik zeggen en begrijpen van wie iets/iemand is. 
Bijvoorbeeld: Esta es mi madre. - Dit is mijn moeder.

Slide 8 - Tekstslide



Met het bezittelijk voornaamwoord kun je aangeven van wie iets/iemand is.
Je kan er bijvoorbeeld:
  1. jouw familie mee beschrijven.
  2. vragen wat iemands favoriete....... is en om daarop te antwoorden.
  3. Naar persoonlijke informatie vragen
  1. Mi familia es grande. 
Mis padres se llaman Enrique y Ana.

2. ¿ Cuál es tu animal favorito?
Mi animal favorito es el león.

3. ¿Cuál es tu número de teléfono?
Mi número de teléfono es el 06-12345678
¿Cuál es tu dirección? 


Wat kan ik met de bezittelijke voornaamwoorden?

Slide 9 - Tekstslide

weet je nog?
Weet je nog?
Wat kun je ook alweer hiermee?

Slide 10 - Tekstslide

Bezittelijk vnw.
mijn
jouw
zijn/haar/uw
ons/onze
jullie
hun/uw
mi
tu
su
nuestro
vuestro
su
mi
tu
su
nuestra
vuestra
su
mis
tus
sus
nuestros
vuestros
sus
mis
tus
sus
nuestras
vuestras
sus
enkelvoud
meervoud
mnl.
mnl.
vr.
vr.
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Welke verschillen zien jullie?

Slide 11 - Tekstslide

Leerdoel: bezittelijk vnw.

Slide 12 - Tekstslide

__________ (haar) casa

Slide 13 - Open vraag

Esta es _______ amiga.
A
mi
B
mis

Slide 14 - Quizvraag

¿Dónde están ________ libros?
A
tu
B
tus

Slide 15 - Quizvraag

__________ abuela es muy simpática.
A
nuestro
B
nuestra

Slide 16 - Quizvraag

__________ mochilas están en la clase.
A
vuestros
B
vuestras

Slide 17 - Quizvraag

___________ amigos están en casa.
A
su
B
sus

Slide 18 - Quizvraag

__________ alumnos están en casa.
A
nuestros
B
nuestras

Slide 19 - Quizvraag

_____________ (onze) abuela

Slide 20 - Open vraag

____________ (jouw) libros

Slide 21 - Open vraag

___________ (jullie) padres

Slide 22 - Open vraag

___________ (mijn) hermano

Slide 23 - Open vraag

___________(hun) profesora

Slide 24 - Open vraag

__________ (zijn) hijos

Slide 25 - Open vraag

___________(onze) tía

Slide 26 - Open vraag

Leerdoel
  • Ik kan de regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 27 - Tekstslide

verbos regulares
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
hablar
hablo
hablas
habla
hablamos
habláis
hablan
comer
como
comes
come
comemos
coméis
comen
vivir
vivo
vives
vive
vivimos
vivís
viven
praten
eten
wonen/leven
Leerdoel: werkwoorden
librito p. 21-22

Slide 28 - Tekstslide

De 3 stappen voor het vervoegen van regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd: 
HAKKEN
TELLEN
PLAKKEN
HABLAR 
HABL
TÚ = DE 2E PERSOON
AS = DE TWEEDE UITGANG 
HABLAS
HABLAS = 
JIJ PRAAT

Slide 29 - Tekstslide

Stappen om te vervoegen
  • Elke werkwoord in het Spaans heeft een familie: -ar -er of -ir
  • Vind de stam door -ar, -er of -ir eraf te halen
  • plaats de bijbehorende uitgang achter de stam

Slide 30 - Tekstslide

El presente: verbos regulares
Pak je librito en maak OPDR 1 TM 4 van het werkblad.
Gebruik de grammatica van p. 21-22

Slide 31 - Tekstslide

Leerdoel
  • Ik kan de werkwoorden SER, TENER en LLAMARSE in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 32 - Tekstslide

Werkwoorden
Ser = zijn
  • Nationaliteit
  • naam
  • afkomst (ser de)
  •  familieband
  • beroep


Tener = hebben
  • bezit (bij dingen en mensen (bijvoorbeeld familieleden)
  • leeftijd


llamarse = heten
  • naam 


Slide 33 - Tekstslide

llamarse
Escribe 3 veces
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
Librito p.22

Slide 34 - Tekstslide

    Ser    

soy
eres
es
somos
sois
son
Librito p.23

yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 35 - Tekstslide

                  tener 

tengo
tienes
tiene
tenemos
tenéis
tienen
Librito p.23

yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 36 - Tekstslide

Vul de juiste vorm van ser, tener of llamarse in
1. Mi madre ............... Petra y ................... 43 años.
2. Yo ................ de Cataluña y ................. dos hermanos.
3. Nosotros ......... holandeses.
4. Juan y Maite ............... de Madrid, ................ españoles.
5. Yo ..................... doce años.
6. Tú ................... dos abuelos. 

Slide 37 - Tekstslide

standaardzinnen
zinsopbouw

Slide 38 - Tekstslide

Vertaal de volgende zinnen
  1. Mijn oom heet Juan. 
  2. Zijn opa is net als ik.
  3. Onze broers hebben een zus.
  4. Hun ouders zijn 50 jaar.
  5. Jullie kleinkinderen hebben een opa en een oma.
  6. Jouw vrouw heeft een grote familie.
Pak je librito en vertaal de volgende zinnen naar het Spaans. 
Gebruik de woorden uit blok 1 TM 2 en de grammatica van p. 21-24

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Link