ANIMAL MASHUP - workshop onderbouw

Beeldende Vormgeving 
Textuur & Structuur

Fantasiedier
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
Beeldende vormingMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Beeldende Vormgeving 
Textuur & Structuur

Fantasiedier

Slide 1 - Tekstslide

Textuur = Hoe iets aanvoelt en eruitziet

Dit gaat over het oppervlak van een object.
Het kan glad, ruw, zacht of hard zijn.

Voorbeeld: De schors van een boom voelt ruw aan, een blad voelt glad.

Slide 2 - Tekstslide

Textuur: hoe voelt iets aan?
Ruw, grof, zacht, korrelig, stekelig?

Slide 3 - Tekstslide

Structuur = Hoe zit iets in elkaar

Dit gaat over de opbouw van een vorm of object.
Het heeft te maken met de binnenkant en de stevigheid.

Voorbeeld: De structuur van een boomstam bestaat uit jaarringen en houtvezels.

Slide 4 - Tekstslide

Natuurlijke structuren                 Kunstmatige structuren

Slide 5 - Tekstslide

Samenvatting

Structuur = de bouw en stevigheid van een vorm.
Textuur = hoe het oppervlak voelt of eruitziet.


Een baksteen heeft een stevige structuur (hij is opgebouwd uit klei en steen) en een ruwe textuur.
Een woltrui heeft een zachte textuur, maar de structuur bestaat uit geweven draad.

Slide 6 - Tekstslide

Als we kijken naar hoe iets in elkaar zit dan hebben we het dus over structuur. Hoe zit iets in elkaar?

Als iets uit een heleboel - gelijkvormige - onderdeeltjes is opgebouwd, noem je dat een structuur

Slide 7 - Tekstslide

Er zijn talloze soorten structuren. Voor de volgende opdracht wil ik dat jullie gaan oefenen met huidstructuren. Denk aan schubben, veren, harige vachten of vleugels. De structuren vormen de huid van de dieren. Hoe ze aanvoelen zijn de texturen. 

Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 1 

Teken in je dummie 6 vierkantjes
Elk vakje is ongeveer 7x7 cm
In elk vakje teken je een huidstructuur

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 2 in drietallen 
  1. Vouw allebei een A4 tje in drieën
  2. Teken allebei een dierenhoofd (de ander mag het steeds niet zien!)
  3. Wissel van papier: teken een dierenlichaam.
  4. Wissel weer om en teken dierenpoten.
  5. Bekijk het resultaat.

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht 3 Fantasiedier tekenen

  • UIT JE HOOFD EEN FANTASIEDIER TEKENEN om te kijken wat er in je opkomt.
Je bedenkt je eigen fantasiedier en bouwt deze op uit verschillende dieren. Je mag hiervoor ook onderdelen gebruiken van uitgestorven dieren (bijv. dinosaurussen) of fabeldieren (bijv Eenhoorn). Je fantasiedier moet er realistisch uit zien, dus het mag geen cartoon worden
Je mag bedenken wat je maar wil! 

  • Doe dit op een A4 tje met potlood. 

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

FANTASIEDIER

  • Teken het fantasiedier op je tekenblad.
  • Teken goed de verschillende vachten, texturen en
     huidstructuren en laat ze mooi in elkaar overlopen!
  • Werk alles tot in detail uit
  • Je dier bestaat uit minimaal 3 en maximaal 6 diersoorten.
     (zoogdier, vis, insect, amfibie, reptiel, vogel)

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

TEKENEN 
Als je je dier gaat tekenen, zorg er dan voor dat je de verschillende vachten zo echt mogelijk natekent van een voorbeeld. Doe echt je best om met donker en licht het dier ruimtelijk te maken en zo echt mogelijk te laten lijken. 

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide