Voorbeeld: De schors van een boom voelt ruw aan, een blad voelt glad.
Slide 2 - Tekstslide
Textuur: hoe voelt iets aan?
Ruw, grof, zacht, korrelig, stekelig?
Slide 3 - Tekstslide
Structuur =Hoe zit iets in elkaar
Dit gaat over de opbouw van een vorm of object.
Het heeft te maken met de binnenkant en de stevigheid.
Voorbeeld: De structuur van een boomstam bestaat uit jaarringen en houtvezels.
Slide 4 - Tekstslide
Natuurlijke structuren Kunstmatige structuren
Slide 5 - Tekstslide
Samenvatting
Structuur = de bouw en stevigheid van een vorm.
Textuur = hoe het oppervlak voelt of eruitziet.
Een baksteen heeft een stevige structuur (hij is opgebouwd uit klei en steen) en een ruwe textuur.
Een woltrui heeft een zachte textuur, maar de structuur bestaat uit geweven draad.
Slide 6 - Tekstslide
Als we kijken naar hoe iets in elkaar zit dan hebben we het dus over structuur. Hoe zit iets in elkaar?
Als iets uit een heleboel - gelijkvormige - onderdeeltjes is opgebouwd, noem je dat een structuur
Slide 7 - Tekstslide
Er zijn talloze soorten structuren. Voor de volgende opdracht wil ik dat jullie gaan oefenen met huidstructuren. Denk aan schubben, veren, harige vachten of vleugels. De structuren vormen de huid van de dieren. Hoe ze aanvoelen zijn de texturen.
Slide 8 - Tekstslide
Opdracht 1
Teken in je dummie 6 vierkantjes
Elk vakje is ongeveer 7x7 cm
In elk vakje teken je een huidstructuur
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Tekstslide
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Tekstslide
Opdracht 2 in drietallen
Vouw allebei een A4 tje in drieën
Teken allebei een dierenhoofd (de ander mag het steeds niet zien!)
Wissel van papier: teken een dierenlichaam.
Wissel weer om en teken dierenpoten.
Bekijk het resultaat.
Slide 13 - Tekstslide
Opdracht 3 Fantasiedier tekenen
UIT JE HOOFD EEN FANTASIEDIER TEKENEN om te kijken wat er in je opkomt.
Je bedenkt je eigen fantasiedier en bouwt deze op uit verschillende dieren. Je mag hiervoor ook onderdelen gebruiken van uitgestorven dieren (bijv. dinosaurussen) of fabeldieren (bijv Eenhoorn). Je fantasiedier moet er realistisch uit zien, dus het mag geen cartoon worden
Je mag bedenken wat je maar wil!
Doe dit op een A4 tje met potlood.
Slide 14 - Tekstslide
Slide 15 - Tekstslide
Slide 16 - Tekstslide
FANTASIEDIER
Teken het fantasiedier op je tekenblad.
Teken goed de verschillende vachten, texturen en huidstructuren en laat ze mooi in elkaar overlopen!
Werk alles tot in detail uit
Je dier bestaat uit minimaal 3 en maximaal 6 diersoorten. (zoogdier, vis, insect, amfibie, reptiel, vogel)
Slide 17 - Tekstslide
Slide 18 - Tekstslide
TEKENEN
Als je je dier gaat tekenen, zorg er dan voor dat je de verschillende vachten zo echt mogelijk natekent van een voorbeeld. Doe echt je best om met donker en licht het dier ruimtelijk te maken en zo echt mogelijk te laten lijken.