Rekenwoorden deel 2

Rekenwoorden 2
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenISK

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Rekenwoorden 2

Slide 1 - Tekstslide

de som
het verschil

Slide 2 - Tekstslide

het product
het quotiënt

Slide 3 - Tekstslide

de 4 hoofdbewerkingen

Slide 4 - Tekstslide

Maak de som bij een zin.
Wat is het verschil tussen 10 en 3?



10 - 3 = 7

Slide 5 - Tekstslide

Maak de som bij een zin.
Ik trek 1 af van de 8.
8 - 1 = 7

Slide 6 - Tekstslide

Maak de som bij een zin.
Wat is het product van 2 en 3?
2 x 3 = 6

Slide 7 - Tekstslide

ik tel 7 op bij 4.
A
7+4=11
B
7x4=28
C
7-4=3
D
7:4=1,75

Slide 8 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik tel 3 op bij 9.

Slide 9 - Open vraag

kun je de 4
hoofdbewerkingen
noemen?

Slide 10 - Woordweb

Ik trek 10 af van 4.
A
10+4=14
B
10:4=2,5
C
10-4=6
D
10x4=40

Slide 11 - Quizvraag

6 maal 2 is 12.
A
6 : 2=12
B
6 +12 =18
C
6 x 2 =12
D
6 -2 =4

Slide 12 - Quizvraag

welke horen bij elkaar?
33 en 11 in totaal.

A
33+11=44
B
33x11=363
C
33-11=22
D
33:11=3

Slide 13 - Quizvraag

8 keer 5 is ......
A
13
B
40
C
32
D
3

Slide 14 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik heb 14 en haal er 6 af.
A
14 x 6 = 84
B
14 - 6 = 8
C
14 + 6 = 20
D
14 : 6 = 2 1/3

Slide 15 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik heb 14 en doe er 7 bij.
A
14 + 7 = 21
B
14 - 7 = 7
C
14 x 7 = 98
D
14 : 7 = 2

Slide 16 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik neem 16 en 8 samen.
A
16 + 8 = 24
B
16 - 8 = 8
C
16 x 8 = 128
D
16 : 8 = 2

Slide 17 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik vermenigvuldig 24 en 8.
A
24 + 8 = 32
B
24 - 8 = 16
C
24 x 8 = 192
D
24 : 8 = 4

Slide 18 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik deel 16 door 8.
A
16 + 8 = 24
B
16 - 8 = 8
C
16 x 8 = 128
D
16 : 8 = 2

Slide 19 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Ik heb 10 en haal er 2 af.

Slide 20 - Open vraag

Wat is het quotiënt van 15 en 5 ?
A
15x5=75
B
15:5=3
C
15+5=20
D
15-5=10

Slide 21 - Quizvraag

Wat is de som van 12 en 6?
A
12x6=72
B
12:6=2
C
12-6=7
D
12+ 6=18

Slide 22 - Quizvraag


Maak de som bij een zin.
Wat is het product van 12 en 2?
A
12 + 2 = 14
B
12 - 2 = 10
C
12 x 2 = 24
D
12 : 2 = 6

Slide 23 - Quizvraag

rekenmachine

alle rekenmachines hebben de belangrijkste rekentekens

Slide 24 - Tekstslide

de belangrijkste rekentekens

Slide 25 - Tekstslide

Rekentekens
   1. π (Pi): Een wiskundige symbool gebruikt in berekeningen                   met cirkels.                                                                                              
2. ÷: Delen (bijvoorbeeld 10 ÷ 2 = 5)                                                  
3. =: Is gelijk aan (geeft het resultaat aan).                                   
4. +: Plus, optellen (bijvoorbeeld 3 + 2 = 5)                                  
5. ×: Vermenigvuldigen, maal (bijvoorbeeld 4 × 3 = 12)         
6. -: Min, aftrekken (bijvoorbeeld 5 - 2 = 3).                                 

Slide 26 - Tekstslide

Rekentekens
7. <: Kleiner dan (bijvoorbeeld 2 < 5            
8. >: Groter dan (bijvoorbeeld 7 > 3             
9. ≠: Niet gelijk aan (bijvoorbeeld 4 ≠ 5).  
10. √: Wortel, bijvoorbeeld √9 =3                   
             11. %: Procent, deel van 100 (bijvoorbeeld 50%).
12. ∞: Oneindig, iets zonder einde.              

Slide 27 - Tekstslide

procent
keer
is
is gelijk
optellen
vermenigvuldigen
samen
som
quotiënt
product
gedeeld door
opgeteld
is hetzelfde als

Slide 28 - Sleepvraag

Lekker zelf werken in je boek...

Slide 29 - Tekstslide