Thema 3 -Ordening

Thema 3 -Ordening
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Thema 3 -Ordening

Slide 1 - Tekstslide

Waarin worden organismen verdeeld?
A
Op basis van kenmerken
B
Op leeftijd
C
Op grootte
D
In groepen

Slide 2 - Quizvraag

Biologen ordenen organismen in groepen. Je moet vier groepen kennen:
A
Schimmels, dieren, planten en bacteriën
B
Vissen, amfibieën, zoogdieren en reptielen
C
landdieren, waterdieren, dieren met vleugels, uitgestorven dieren
D
Paddenstoelen, zoogdieren, groene planten en eencelligen

Slide 3 - Quizvraag

Slide 4 - Tekstslide

Wat hebben dieren niet?
A
Bladgroenkorrels
B
Celwand
C
Schimmels
D
Celkern

Slide 5 - Quizvraag

Wat hebben planten wel?
A
Bladgroenkorrels
B
Celwand
C
Celkern
D
Bacteriën

Slide 6 - Quizvraag

Wat hebben schimmels wel?
A
Dierencellen
B
Celkern en celwand
C
Bladgroenkorrels
D
Bacteriën

Slide 7 - Quizvraag

Wat hebben bacteriën niet?
A
Celwand
B
Celkern
C
Schimmels
D
Bladgroenkorrels

Slide 8 - Quizvraag

Wat hebben schimmels niet?
A
Celwand
B
Dieren
C
Celkern
D
Bladgroenkorrels

Slide 9 - Quizvraag

Slide 10 - Tekstslide

Wat is een voorbeeld van een soort?
A
Insecten
B
Bomen
C
Honden
D
Vogels

Slide 11 - Quizvraag

Wat is een vereiste voor dezelfde soort?
A
Dieren die erg op elkaar lijken.
B
Jongen die zich kunnen voortplanten
C
Zelfde voeding en leefgebied
D
manlijk en vrouwelijk geslacht

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Wat is de wervelkolom?
A
alle botten
B
Borstkas
C
ribben
D
ruggengraat

Slide 14 - Quizvraag

Welke van deze is een gewerveld dier?
A
Octopus
B
Kreeft
C
Schildpad
D
Krokodil

Slide 15 - Quizvraag

Vissen zijn gewervelden. Welke zin klopt?
A
Vissen zijn altijd zoogdieren.
B
Vissen hebben longen voor ademhaling.
C
Vissen leggen geen eieren.
D
Vissen hebben kieuwen voor ademhaling.

Slide 16 - Quizvraag

Wat voor huid hebben vissen?
A
Veren
B
Haren
C
Schubben met slijm
D
Droge schubben

Slide 17 - Quizvraag

Waar ademen amfibieën mee?
A
Met kieuwen
B
Met longen en huid
C
Met schubben
D
Met veren

Slide 18 - Quizvraag

Wat voor eieren leggen reptielen?
A
Eieren met harde schaal
B
Eieren zonder schaal
C
Jongen geboren
D
Eieren met zachte schaal

Slide 19 - Quizvraag

Waar leven vogels voornamelijk?
A
Op het land
B
In de lucht
C
In bomen
D
Onder water

Slide 20 - Quizvraag

Hoe worden zoogdieren geboren?
A
Uit eieren
B
Als eieren zonder schaal
C
Als jong dier
D
Als larven

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide

Wat zijn zaadplanten?
A
Planten zonder bloemen
B
Planten met bloemen

Slide 23 - Quizvraag

Waar ontstaan sporen bij mos?
A
Onder de bladeren
B
In sporendoosjes op steeltjes
C
In de bloemetjes

Slide 24 - Quizvraag

Slide 25 - Tekstslide

Waaruit bestaan veel schimmels?
A
Schimmeldraden
B
Stengels
C
Bladeren
D
Wortels

Slide 26 - Quizvraag

Hoe kunnen nieuwe schimmels ontstaan?
A
Uit sporen
B
Uit wortels
C
Uit bladeren
D
Uit stengels

Slide 27 - Quizvraag

Waarom zijn schimmels nuttig in de natuur?
A
Ze ruimen dode organismen op
B
Ze maken voedsel voor dieren
C
Ze produceren zuurstof

Slide 28 - Quizvraag

Wat kan men met schimmels maken?
A
Medicijnen zoals penicilline
B
Kleding van schimmel
C
Huisdieren van schimmels
D
Voedsel zoals bier

Slide 29 - Quizvraag

Mycelium - materiaal van de toekomst?

Slide 30 - Tekstslide

Hoe planten bacteriën zich voort?
A
Door sporenvorming
B
Zoals alle dieren
C
Door deling
D
Via zaadjes

Slide 31 - Quizvraag

Hoeveel nieuwe bacteriën ontstaan er bij deling?
A
Vijf nieuwe bacteriën
B
Drie nieuwe bacteriën
C
Twee nieuwe bacteriën
D
Vier nieuwe bacteriën

Slide 32 - Quizvraag

Wat gebeurt er met bacteriën na deling?
A
Ze veranderen in schimmels
B
Ze sterven direct
C
Ze worden groter zonder te delen
D
Ze groeien en kunnen weer delen

Slide 33 - Quizvraag

Slide 34 - Tekstslide

Welke rol spelen bacteriën in je darmen?
A
Helpen bij de vertering van voedsel
B
Voorkomen groei van cellen
C
Versterken botten
D
Veroorzaken ziekten

Slide 35 - Quizvraag

Welke producten worden met bacteriën gemaakt?
A
Fruit en groenten
B
Yoghurt en zuurkool
C
Brood en pasta
D
Snoep en koekjes

Slide 36 - Quizvraag

Welke ziekte wordt veroorzaakt door bacteriën?
A
Verkoudheid
B
Longontsteking
C
Griep
D
Hoofdpijn

Slide 37 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een bacteriële infectie?
A
Diabetes
B
Astma
C
Keelontsteking
D
Allergieën

Slide 38 - Quizvraag

Sleep de stappen van onderzoek in de goede volgorde.
1
2
3
4
5
6
Hypothese
Onderzoeksvraag
Werkplan
Uitvoering
Resultaten
Conclusies

Slide 39 - Sleepvraag

3.8.13 Je kunt kenmerken noemen van vijf groepen dieren zonder wervelkolom.


Je hebt geleerd wat gewervelde dieren zijn. Maar niet alle dieren zijn gewerveld. Sommige dieren hebben niet eens een skelet.

Slide 40 - Tekstslide

Dieren zijn ingedeeld in groepen. De gewervelde dieren ken je al. Maar er zijn nog meer groepen.
 Vijf andere diergroepen zijn:

• neteldieren
• wormen
• weekdieren
• stekelhuidigen
• geleedpotigen

Slide 41 - Tekstslide

Neteldieren
In afbeelding 1 zie je een kwal. Dit dier leeft in de zee. Een kwal is een neteldier. Neteldieren hebben geen skelet. Ze hebben vangarmen met netels. De netels kunnen je prikken. Er komt dan een giftige stof in je lichaam. Neteldieren gebruiken hun vangarmen met netels om een prooi te vangen. Het gif verlamt de prooi, waardoor de kwal de prooi kan opeten.

 
Een ander voorbeeld van een neteldier is de zeeanemoon. Die zie je in afbeelding 2.

Slide 42 - Tekstslide

wormen
Wormen zijn lang en dun. Ze hebben geen skelet. Er zijn verschillende soorten wormen.

In afbeelding 3 zie je een regenworm. Regenwormen leven in de bodem. Ze hebben daar een belangrijke taak. Ze graven kleine gangen in de bodem. Daardoor blijft de bodem luchtig. Dat is goed voor de planten.

In afbeelding 4 zie je een lintworm. Sommige lintwormen leven in de darmen van mensen. Zulke lintwormen kunnen tien meter lang worden.

Slide 43 - Tekstslide

weekdieren
In afbeelding 5 zie je mosselen. Een mossel is een weekdier. Weekdieren hebben een zacht (week) lichaam. Als skelet hebben ze een huisje of schelp. 



Een tuinslak heeft ook een huisje. Bij gevaar kruipt de slak in zijn huisje.

Slide 44 - Tekstslide

Stekelhuidigen
Stekelhuidige dieren hebben stekels of knobbels op hun huid. Voorbeelden van stekelhuidigen zijn een zeester (zie afbeelding 6) en een zee-egel (zie afbeelding 7). 


Stekelhuidigen leven in de zee. Ze hebben een skelet. In afbeelding 7.2 zie je het skelet van een zee-egel.

Slide 45 - Tekstslide

Geleedpotigen
In afbeelding 8 zie je twee geleedpotige dieren. Hun poten bestaan uit kleine stukjes. Deze kleine stukjes heten leden.






Geleedpotige dieren hebben een skelet aan de buitenkant. Het skelet zit als een soort pantser om het dier heen.

Slide 46 - Tekstslide

maken: 3.8
Leren: 3.1 tm 3.8

Slide 47 - Tekstslide

Weet je voldoende over 3.1 t/m 3.7?
😒🙁😐🙂😃

Slide 48 - Poll