Ga naar je plek, pak je spullen en maak de startopdracht.
Startopdracht: lees in je leesboek
Lesboek Nieuw Nederlands
Leesboek
Schrift
Gevuld etui
timer
15:00
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1
In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
Welkom!
Ga naar je plek, pak je spullen en maak de startopdracht.
Startopdracht: lees in je leesboek
Lesboek Nieuw Nederlands
Leesboek
Schrift
Gevuld etui
timer
15:00
Slide 1 - Tekstslide
Wat gaan we doen?
Lesdoelen
Mededelingen
Opdrachten
PimPamPet
Huiswerk
Evaluatie les
Slide 2 - Tekstslide
Mededelingen
Wat moet ik weten?
Slide 3 - Tekstslide
Lesdoelen
Ik kan de betekenis van onbekende woorden in een tekst ontdekken door woordraadstrategieën te gebruiken.
Ik kan het onderwerp van een tekst bepalen.
Ik kan oriënterend lezen.
Slide 4 - Tekstslide
Brabantse woorden quiz
Slide 5 - Tekstslide
Wat betekent:
Leutig
A
Liever
B
Grappig
C
Leuk
D
Gezellig
Slide 6 - Quizvraag
Wat betekent:
errebezies
A
Bezemstelen
B
Aardbeien
C
Bougies
D
Snoepjes
Slide 7 - Quizvraag
Wat betekent:
ammel
A
Appels
B
Glas drinken
C
Angel
D
Allemaal
Slide 8 - Quizvraag
Wat betekent:
bekant
A
Bijna
B
Nooit
C
Soms
D
Aan de kant
Slide 9 - Quizvraag
Wat betekent:
sperrewepse
A
Speerwerpen
B
Wespen
C
Spinnenwebben
D
Spreeuwen
Slide 10 - Quizvraag
Wat betekent:
zeemeleir
A
Zeeman
B
Huisje aan zee
C
Ramen wassen
D
Zeurpiet
Slide 11 - Quizvraag
Wat betekent:
verkette
A
Verhuizen
B
Vorken
C
Jurken
D
Vuurwerk
Slide 12 - Quizvraag
Wat betekent:
pralleke
A
praalwagen
B
prachtig
C
Meisje
D
Gek iemand
Slide 13 - Quizvraag
Wat betekent:
kwèèker
A
Lawaaimaker
B
Bloemenkweker
C
Vijver
D
Wekker
Slide 14 - Quizvraag
Wat betekent:
bakkeleie
A
Bakken
B
Kletsen
C
Ruzie maken
D
Twijfelen
Slide 15 - Quizvraag
Wat betekent:
sebiet
A
Straks
B
Suikerbieten
C
Restaurant
D
Gisteren
Slide 16 - Quizvraag
Wat betekent:
gift ‘m kèès
A
Geef maar aan Kees
B
Zet 'm op
C
Geef hem kaas
D
Doe maar niet
Slide 17 - Quizvraag
Wat betekent:
wa zijde ’t aon’t begaoje
A
Wat ben je goed bezig
B
Je maakt er een puinhoop van
C
Wat ben je aan het doen?
D
Je moet zo gapen
Slide 18 - Quizvraag
Brabantse weetjes en weetjes over Carnaval
Slide 19 - Tekstslide
Hoeveel inwoners heeft Noord-Brabant?
A
3.500.00
B
2.700.00
C
2.500.000
D
4.000.000
Slide 20 - Quizvraag
Wat is de hoofdstad van Noord-Brabant?
A
Eindhoven
B
's-Hertogenbosch
C
Tilburg
D
Sittard
Slide 21 - Quizvraag
Welke stad is de Technologiestad van Noord-Brabant?
A
Tilburg
B
Waalwijk
C
Breda
D
Eindhoven
Slide 22 - Quizvraag
Waar woont Guus Meeuwis?
A
Boxtel
B
Roosendaal
C
Tilburg
D
Breda
Slide 23 - Quizvraag
Welke stad noemt zich met carnaval Oeteldonk?
A
Tilburg
B
Waalwijk
C
Breda
D
Den Bosch
Slide 24 - Quizvraag
Wat is de allernieuwste attractie uit de Efteling?
A
De zes zwanen
B
Symbolica
C
4D film Fabula
D
Max & Moritz
Slide 25 - Quizvraag
Welke stad noemt zich met carnaval Tullepetoanestad?
A
Roosendaal
B
Waalwijk
C
Breda
D
Bergen op Zoom
Slide 26 - Quizvraag
Welk getal noemen ze het 'gekkengetal' en is daarom het getal van Carnaval?
A
7
B
11
C
20
D
100
Slide 27 - Quizvraag
Waarom is de traditie ontstaan om verkleed te gaan met carnaval?
A
Mensen mochten elkaars outfit kiezen
B
Mensen hadden geen geld voor nieuwe kleren
C
De kerk zei dat het zo moest
D
Zo was iedereen gelijk
Slide 28 - Quizvraag
Waar wordt geen carnaval gevierd?
A
Brazilië
B
Duitsland
C
Ghana
D
China
Slide 29 - Quizvraag
Wanneer vieren we carnaval?
A
Dit hangt af van de stand van de maan
B
Altijd de tweede zondag van februari
C
Twee weken voor Pasen
D
Wanneer het voorjaarsvakantie is
Slide 30 - Quizvraag
Vertalen!
Slide 31 - Tekstslide
Rustig samenwerken
Probeer het gedicht zo goed mogelijk te vertalen. Lever je vertaling in bij mevrouw De Kok. Vergeet niet je naam erop te zetten. Degene met de beste vertaling krijgt de volgende les een worstenbroodje. Je mag in tweetallen werken!
Heb je een vraag?
Steek je vinger op!
Ben je klaar?
Schrijf een eigen tekst in het Brabants, lees in een boek of werk aan Numo
timer
5:00
Slide 32 - Tekstslide
Huiswerk bespreken
Maak opdracht 3 t/m 5 vanaf blz. 12
Slide 33 - Tekstslide
Woordraadstrategieën
Synoniem
Omschrijving
Voorbeeld
Slide 34 - Tekstslide
Synoniem
Één woord dat dezelfde betekenis heeft dan een ander woord.
Toilet - wc
Ogenblik - moment
Afbeelding - plaatje
Slide 35 - Tekstslide
Omschrijving
Uitleg van een onbekend woord.
Dit zijn meerdere woorden.
Omschrijvingen staan vaak tussen haakjes of tussen komma's.
Slide 36 - Tekstslide
Voorbeeld
Voorbeelden kunnen helpen om moeilijke woorden te begrijpen. Let op woorden:
Zoals
Bijvoorbeeld
Een voorbeeld van
Voorbeelden staan vaak na een dubbele punt, tussen haakjes of tussen komma's.
Slide 37 - Tekstslide
Onderwerp
Hoe vind je het onderwerp van een tekst:
1. Lees de tekst oriënterend. 2. Vraag: waar gaat deze tekst over?
3. Gebruik nooit een hele zin.
Slide 38 - Tekstslide
Oriënterend lezen
Bekijk de tekst:
- Lees de titel.
- Kijk naar de afbeeldingen bij de tekst.
- Lees de tussenkopjes.
- Kijk of woorden anders gedrukt zijn, bijvoorbeeld vet,schuin, GROOT of gekleurd.
- Let op woorden die vaker gebruikt worden.
- Lees de eerste alinea
Slide 39 - Tekstslide
Zelfstandig werken
Je werkt in stilte.
Maak de opdrachten op het opdrachtenblad.
Heb je vragen? Steek je hand op.
Klaar? Werk in Numo
timer
5:00
Slide 40 - Tekstslide
Samenwerken
Je mag zachtjes overleggen.
Maak de opdrachten op het opdrachtenblad.
Heb je vragen? Steek je hand op.
Klaar? Werk in Numo
timer
15:00
Slide 41 - Tekstslide
Opdracht 4 op blz. 18
Lees de vragen.
We bekijken de video
Geef antwoord op de vragen
We bespreken de vragen
Werk verder aan opdrachten vanaf blz. 15
timer
10:00
Slide 42 - Tekstslide
Huiswerk
Datum: donderdag 21 september
Maken:
Maak opdracht 1 t/m 3 vanaf blz. 15
10 minuten werktijd in Numo
Slide 43 - Tekstslide
Lesdoelen
Ik kan de betekenis van onbekende woorden in een tekst ontdekken door woordraadstrategieën te gebruiken.