CG A1 Unidad 10 parte 2_lesweek 6 les 3

Hola chic@s
Buenos días
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 180 min

Onderdelen in deze les

Hola chic@s
Buenos días

Slide 1 - Tekstslide

Repaso parte 1 Unidad 10
Id a la pagina 87, ejercicio 1.
Apunta:
- 2 cosas que no has hecho nunca
- 1 cosa que quieres aprender

Slide 2 - Tekstslide

¿Qué quieres aprender?
geef antwoord...

Slide 3 - Open vraag

Repaso pronombres
stencil persoonlijk vnw

Slide 4 - Tekstslide

Unidad 10 (TB nr. 5 t/m 11)
Los deberes: Unidad 9 ¿Preguntas?
R&S Unidad 9 : juntos




Unidad 10 parte 2

Slide 5 - Tekstslide

Hoe maak je de Gerundio?
estar
1. estoy
2. estás           + gerundio
3. está                            = 
1. estamos     + stam  + ando (-ar) 
2. estáis                          + iendo  (-er/-ir)  3. están 


 
Wederkerend ww. in de Gerundio
1. me estoy levantando
2. te estás lavando
3. se está poniendo la ropa
1. nos estamos concentrando
2. os estáis aburriendo
3. se están cansando 

Het wederkerend vnmw. mag ook achter de Gerundio geplakt worden.
             "Estoy levantándome."

Slide 6 - Tekstslide

En  nu even alles op een rij.
Tot nu toe heb je verschillende constructies geleerd: 
  • Wat je doet.  
  • Wat je hebt gedaan.
  • Wat je aan het doen bent. 
estar + -ando/-iendo
¿ Qué estás haciendo?
Estoy estudiando español.
haber + stam + -ado/-ido
¿ Qué has hecho?
He hecho los ejercicios del libro.

Slide 7 - Tekstslide

Dat ziet er dan zo uit:

  • (Yo) estudio.
  • Ya he estudiado.
  • En este momento estoy estudiando.
verbo=estudiar
     
  • Ik studeer.
  • Ik heb al gestudeerd.
  • Op dit moment ben ik aan het studeren

Slide 8 - Tekstslide

Plaats van het persoonlijk en het wederkerend vnmw.
TB 6.2.3. p. 120
Deze constructies kun je natuurlijk ook gebruiken met de wederkerende werkwoorden.

Vergeet niet dat het pers.vnmw. meestal vóór het vervoegde werkwoord staat.

Maar bij de Gerundio en constructies met het hele ww. mag het pers.vnmw. er ook direct achter geplakt worden. 

Slide 9 - Tekstslide

Dat ziet er dan zo uit:

  • Ahora me ducho. 
  • Ya me he duchado.
  • En este momento me estoy duchando.


Zet hem eens om naar de 
jullie-vorm
verbo= ducharse

  • Ik douche me nu.
  • Ik heb me al gedoucht.
  • Op dit moment ben ik me aan het douchen. 

Slide 10 - Tekstslide

Of zo:
Bij de infinitief of Gerundio 
kan het pers.vnmw. erachter:

  • En este momento estoy duchándome.

Maar:
  • Ya me he duchado.




  • Op dit moment ben ik me aan het douchen.

Maar:
  • Ik heb me al gedoucht.

Slide 11 - Tekstslide

Hoe maak je de Perfecto? h. 7 (herh)
hulpwerkwoord =haber 
1. he  
2. has                    + participio 
3. ha                               = 
1. hemos               + stam  + ado (-ar) 
2. habéis                               + ido  (-er/-ir)  3. han 


 
Wederkerend ww. in de Perfecto.

1. me he levantado
2. te has lavado
3. se ha puesto la ropa
1. nos hemos concentrado
2. os habéis aburrido
3. se han cansado 

Slide 12 - Tekstslide

Ik ben me aan het scheren.
-afeitarse-
A
Estoy me afeitando.
B
Me estoy afeitando.
C
Me estoy afeitado.
D
Estoy afeitándome.

Slide 13 - Quizvraag

Ik heb me gewassen
-lavarse-
A
He me levado
B
Me he lavado
C
tengo lavado.
D
Me ha lavado

Slide 14 - Quizvraag


Let op bij het voorzetsel con met een voornaamwoord:

a, para, sin, de, etc. + :


ti

él, ella, usted

nosotros/as

vosotros/as

ellos. ellas, ustedes

con (met):


conmigo

contigo

con él, ella, usted

con nosotros/as

con vosotros/as

con ellos, ellas, ustedes

Slide 15 - Tekstslide

repaso "quedar"
wat weten we nog?
let op! 3c: conmigo, contigo, con él,..




Slide 16 - Tekstslide

repaso- dobbelen

stencil
timer
5:00

Slide 17 - Tekstslide

10: Tengo planes
Parte II  El tiempo libre
  • betrekkelijke bijzinnen
  • constructie 'met mij/met jou" 
  • kunnen: saber vs poder

herhaling
  • futuro próximo (ir + a + infinitief)

Slide 18 - Tekstslide

Nr. 8a TB p. 91 ¿sabes o puedes?
Hoe vertaal je 'kunnen' naar
het Spaans?


bestudeer alles bij 8a en probeer zelf schema aan te vullen

Slide 19 - Tekstslide

Saber:  weten, kunnen 
Gebruik: kennis, vaardigheid (weten hoe..)

Sé hablar español. 
¿Sabes conducir un coche?
Sé cocinar bien.
(to know how..)
                 
Poder: kunnen 
Gebruik: mogelijkheid, toestemming 
Puedo ir a pie al trabajo.
No podemos salir hoy.
No puedo ayudarte con la tarea.
¿Puedo pagar con tarjeta?
(can, may)

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

¿Saber o poder? 
  • SABER = Kunnen -> bij vaardigheden en kennis 
  •                    ¿Sabes esquiar ?  Kun je skiën? 
  •                    ¿Sabes dónde está la Plaza de España? Weet je waar Plza. ES is?
  •                    ¿Sabes hacer una tarta?  Weet je hoe je een taart  moet maken?
 
  • PODER = Kunnen -> bij mogelijkheiden en toestemming 
  •                    ¿Puedes reservar la pista de tenis Kun je de tennisbaan reserveren?
  •                     ¿Puedo pagar con tarjeta?   Kan ik met pasje betalen? 
  •                     ¿Puedes hacer una tarta?     Kun je een taart maken? 

Slide 22 - Tekstslide

Nr. 5a TB p.90
Lees de tekst en beantwoord de vragen.
1. ¿Te gusta salir a comer?
2. ¿Con quién?
3. ¿En qué ocasiones?
4. ¿Con qué frecuencia?
5. ¿Cómo es en tu país?
6. ¿Qué es diferente?

"No se trata solo de comer, sino también del aspecto social."



Slide 23 - Tekstslide

betrekkelijk vnw: que / donde
QUE is een betrekkelijk voornaamwoord en betekent die/dat.
In combinatie met een plaats wordt DONDE (waar) gebruikt
Madrid es una ciudad donde vive mucha gente
Es un postre QUE lleva fruta
Es un pueblo  DONDE hay muchos peregrinos
we maken nu Nr. 6a+b TB p. 90 samen

Slide 24 - Tekstslide

nacionalidades: Nr. 7a TB p. 91

nationaliteitsaanduidingen hebben meestal een vrouwelijke vorm op -a, ook als de mannelijke vorm op een medeklinker eindigt.
un vino italiano / una pizza italiana
un vino francés / una tortilla francesa

Slide 25 - Tekstslide

vamos a trabajar ? 15 min.
1. Maak 16 en 17 WB samen, zie ook p.169 TB. 
2. maak 15 wb
3. Maak 4, 13, 14
4. 10 WB p.95 - el verbo IR
Let op: je vult een vorm in van ir en soms heb je ook een voorzetsel nodig zoals a (van ir a + inf.) of al/ a la, con, de.
Veel uitdrukkingen met 'ir + de + .....' zoals 'ir de vacaciones'
, 'ir de excursión', 'ir de viaje' etc
timer
15:00

Slide 26 - Tekstslide

En el restaurante opdr. 9 p. 92 tb
lees het menu , luister en geef bij B aan wat de gasten bestellen
  1. Para mí         la ensalada mixta.
  2. De segundo       el pollo asado
  3.           un vino tinto de la casa
  4. ¿De postre qué          ?
  5. ¿Me trae         agua?  
de primero
yo tomo
para beber
hay
otro vaso para el
hoe wilt u het?
bereidingswijze:
frito/asado/al horno/a la plancha/ a la romana/ muy o poco hecho

Slide 27 - Tekstslide

9c + 9d. en el restaurante
sopa de letras
bereid een gesprek voor
Bestel voor-, hoofd- en nagerecht en een drankje!
Se necesita:
1 camarero/camarera
2 clientes
timer
10:00

Slide 28 - Tekstslide

Nr. 10a TB "Otro" en "un poco más" p. 93 TB= bijbestellen
telbaar
ontelbaar
otro cuchillo
otra cuchara
otros tres cafés
otras dos cervezas
Un poco (más) de:

pan, agua, salsa

(een beetje meer..)
Vóór otro/-a en medio/-a komt nooit een onbepaald lidwoord:
                            Me trae una otra cerveza
             Maak opdracht 20 WB + opdracht 10b TB : cadena
"Otro" betekent een andere of nog een. Uit de context is altijd af te leiden om welke betekenis het gaat

Slide 29 - Tekstslide

¿Qué tal la comida?  Nr. 11 p. 93 TB
- als je een mening over je eten geeft gebruik je het ww estar
- als je een eigenschap van je eten geeft gebruik je het ww ser
el gazpacho es una sopa
el gazpacho está caliente
schrijf een zin met ser en een met estar ( met bijv.nw uit je boek....
ser
la hamburguesa es de carne
estar
la hamburguesa está deliciosa

Slide 30 - Tekstslide

A trabajar en equipos
WB unidad 10
- Maak opdracht 19 (luisteropdracht)
WB
- Opdracht 20-21 -22 wb

timer
15:00

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

¿Preguntas?

Slide 33 - Tekstslide

Deberes

- Alle opdrachten van Unidad 10
- R&S van Unidad 10
-alles afmaken  

TT van Unidad 9+10: woensdag in de les




Slide 34 - Tekstslide