TH2 ~~Chapitre 5: Poser une question + la négation

herhaling gramm + voca ch5 
- vraag stellen (met en zonder vraagwoorden)
- de ontkenning

1 / 51
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 51 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

herhaling gramm + voca ch5 
- vraag stellen (met en zonder vraagwoorden)
- de ontkenning

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comment poser une question?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

poser une question
  • zonder vraagwoord
  • met vraagwoord

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Intonatie; zet een vraagteken achter de zin
Tu habites à Sneek.
Tu habites à Sneek?

zonder vraagwoord


1

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2

Est-ce que + de zin
Est-ce que betekent 'is het zo dat'


Tu es malade.
Est-ce que tu es malade?
Elle est malade
Est-ce qu'elle est malade

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

À vous de jouer!!

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak de zin vragend met est-ce que (hele zin opschrijven)
Il a un chien.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak de zin vragend op 2 manieren
Il a un frère

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak de zin vragend op 2 manieren
Ils habitent à Lemmer.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

met vraagwoord

welke vraagwoorden zijn er?

où                              =          waar                   

comment               =          hoe                 

quand                     =           wanneer

combien de          =           hoeveel

pourquoi                =           waarom
qui                             =          wie
qu'est-ce que      =          wat (begin van de zin)

Slide 11 - Tekstslide

quoi = wat (eind van de zin)

Où =waar
Tu habites ?  (intonatievraag vraagwoord achteraan)
  tu habites?
est-ce que tu habites? 

(woordvolgorde: vraagwoord + est-ce que + rest van de zin)

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

quand =wanneer
Tu vas nager quand?   
Quand tu vas nager?
Quand est-ce que tu vas nager?



Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comment =hoe
  Tu t'appelles comment?
 Comment tu t'appelles?
Comment est-ce que tu t'appelles?


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Combien (de) =hoeveel
 Tu manges combien de fruits ?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qu'est-ce que =wat
Qu'est-ce que tu fais?

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qui =wie
Tu cherches qui?
Qui tu cherches?
Qui est-ce que tu cherches?

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

À vous de jouer!!

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zet in het juiste volgorde
aime/ est-ce qu'/ ?/ les légumes/ il
A
Il est-ce qu' aime les légumes?
B
Est-ce que les légumes il aime?
C
Est-ce qu'il aime les légumes?

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar werk jij?
A
Tu où travailles?
B
Tu travailles où?
C
Travailles-tu où?
D
Est-ce que où tu travailles?

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe werkt dat?
A
Comment ça fonctionne?
B
Comment est-ce que ça fonctionne?
C
Comment fonctionnes-ça?

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is dat?
(Welke is niet goed?)
A
C'est quoi ?
B
Qu'est-ce que c'est?
C
Quoi est-ce?

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Spreek jij Frans?
A
Tu parles français?
B
Est-ce que tu parles français?
C
Tu est-ce que parles français?
D
Est-ce que parles-tu français?

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wat is niet een vraagwoord?
A
pourquoi
B
combien
C
quand
D
est

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen vraagwoord?
timer
0:30
A
combien
B
quand
C
pour
D
pourquoi

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

welk woord is geen vraagwoord?
timer
0:30
A
quand
B
ou
C
comment
D
pourquoi

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen vraagwoord?
timer
0:30
A
Combien
B
quand
C
pour
D
quel

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste vraagwoord in :
......tu fais comme sport ?
timer
0:30
A
pourquoi
B
C
quand
D
qu'est-ce que

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk vraagwoord is hier nodig?
Ton anniversaire, c’est ... ?
timer
0:30
A
quand
B
qui
C
combien
D
pourquoi

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk vraagwoord past in de zin:
" ... tu détestes l'anglais?"
timer
0:30
A
quand
B
pourquoi
C
qu'est-ce que
D
qui

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk vraagwoord zoeken we?
Tu habites ....? Moi, j'habite à Liège.
timer
0:30
A
combien
B
comment
C
quand
D

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk vraagwoord zoeken we?
..... tu t'appelles? Je m'appelle Robin.
timer
0:30
A
combien
B
comment
C
quand
D

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vraagwoorden
Wanneer
waar
hoe
Wie
waarom
hoeveel
wat
quand
comment
qui
pourquoi
combien
qu'est-ce que?

Slide 33 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk vraagwoord ontbreekt?
Tu as __________ de matières?
A
Quand
B
Pourquoi
C
Qui
D
Combien

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

kies het juiste vraagwoord:
.... tu manges?
A
comment
B
qu'est-ce que
C
combien
D
qui

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het juiste vraagwoord?
... tu es fatigué?
A
quand
B
pourquoi
C
qu'est-ce que
D
comment

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep het juiste vraagwoord in de vraag:

........................  est ta fête d'anniversaire ?
Foute antwoorden
Qui
Qu'est-ce que
Comment
Pourquoi
Quand
Combien de

Slide 37 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep het juiste vraagwoord in de vraag:

........................  tu as fait (gedaan) à Paris ?
Foute antwoorden
Qui
Qu'est-ce que
Comment
Pourquoi
Quand
Combien de

Slide 38 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep het juiste vraagwoord in de vraag:

........................  tu vas (ga) à l'école ?
Foute antwoorden
Qui
Qu'est-ce que
Comment
Pourq uoi
Quand
Combien de

Slide 39 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

La négation

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De ontkenning
Ontkenning in het Nederlands is: Niet of geen. 

In het Frans bestaat de ontkenning uit 2 woorden:
ne of n' ........ pas

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

La négation

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

La négation

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je n'aime les croissants.
Je n'aime pas les croissants.
Je n'aime les croissants pas .
foute ontkennende zin
foute ontkennende zin
goede ontkennende zin

Slide 44 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nooit

Niets

Nog niet

Niet meer

Niet/geen
ne...pas
Ne...jamais
Ne....plus
Ne...pas encore
Ne....rien

Slide 45 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

C'est une grande maison.
in de ontkenning wordt dit:
A
Ce n'est pas une grande maison
B
C'est ne pas une grande maison
C
Ce ne est pas une grande maison
D
C n'est pas une grande maison

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Il va acheter du chocolat.
In de ontkenning wordt dit:
A
Il va ne pas acheter du chocolat.
B
Il ne va pas acheter du chocolat.
C
Il ne va acheter pas du chocolat.
D
Il na va acheter du chocolat pas.

Slide 47 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Staat de ontkenning goed in de zin?
Nous ne avons plus un grand jardin.
A
B

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

La négation

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

La négation

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies