In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
Hoofdstuk 5: Steden en Staten
Paragraaf 5.4
De macht van vorsten
Slide 1 - Tekstslide
Tijd van Steden en Staten (1000-1500)
In het wit zie je een stadspoort. Ging je in de Middeleeuwen een stad binnen, dan moest je door de stadspoort. In veel steden werd een hoge en prachtig versierde kerk gebouwd. Op de achtergrond zie je de binnenkant van zo’n kerk.
Slide 2 - Tekstslide
Geschiedenis
Leerdoelen
5.4 De Macht van Vorsten Aan het einde van de les kan ik uitleggen
hoe Engelse, Franse en Bourgondische vorsten machtiger werden.
hoe vorsten samenwerkten met de drie standen.
waardoor Duitse koningen minder machtig bleven.
Slide 3 - Tekstslide
Vorst of Vorsten is een ander woord voor;
Koning of Koningen
Frankrijk: Koning Lodewijk IX
Slide 4 - Tekstslide
Koningen werden steeds machtiger en rijker. Dit had te maken met de opkomst van steden;
Verkochten stadsrechten
Verdienden veel geld aan belastingen
Koninklijk paleis in Parijs (geschilderd rond 1412)
Slide 5 - Tekstslide
Wat wilden de steden terug voor de hulp aan de koning?
A
Geld
B
Stadsrechten
C
Grond
D
Voedsel
Slide 6 - Quizvraag
Welke stadsrechten waren er?
Slide 7 - Woordweb
Dit geld gaven de Franse en Engelse vorsten uit aan;
Ambtenaren =
Mensen in dienst van de koning die helpt bij het besturen
Een eigen leger=
Vanaf 1337 verovert Engeland grote delen van Frankrijk ->
Slag bij Maupertuis, 1356 (geschilderd omstreeks 1475)
Slide 8 - Tekstslide
Vanaf 1453 is Engeland verdreven uit heel Frankrijk.
Zowel de Franse als de Engelse koningen gingen hun land meer als één staat besturen
Staatsvorming
Slag bij Maupertuis, 1356 (geschilderd omstreeks 1475)
Slide 9 - Tekstslide
Staatsvorming
De koningen maakten wetten voor het hele land
Deze landelijke wetten werden belangrijker dan lokale wetten
Bijvoorbeeld: De wetten die gelden voor Frankrijk zijn belangrijker dan de weten in Parijs. Hierdoor krijgt de koning meer macht en de adel minder.
Slide 10 - Tekstslide
Staatsvorming
De koningen maakten van hun land één staat met één bestuur
Dit noemen we staatsvorming
Slide 11 - Tekstslide
Eigen Regels
Eigen Regels
Eigen Regels
Eigen Regels
Eigen Regels
Eigen Regels
Oude situatie: Elke stad eigen regels
Slide 12 - Tekstslide
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Nieuwe situatie: Zelfde regels in het hele land
Staatsvorming
Slide 13 - Tekstslide
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Zelfde Regels
Nieuwe situatie: Zelfde regels in het hele land
Slide 14 - Tekstslide
Centralisatie
Koningen wilden alles centraal gaan regelen;
Met geld van steden kon hij soldaten en ambtenaren regelen
Met hen bestuurde hij het land vanuit de hoofdstad
Dit besturen vanuit één centrale plek is centralisatie
Slide 15 - Tekstslide
Centralisatie
Slide 16 - Tekstslide
Nederland
Vroeger was Nederland geen koninkrijk
Rond 1400 waren de hertogen van Bourgondië hier de baas
Zij regeerden over 17 provincies, oftewel gewesten
Dit gebied werd de Nederlanden of Lage landen genoemd
Het gebied van de Bourgondiërs (Bourgondië + de 17 gewesten)
Slide 17 - Tekstslide
De Bourgondiërs 14e en 15e eeuw
De Bourgondiërs wisten gebieden onder hun gezag te brengen op verschillende wijzen.
Verovering
Vererving
Huwelijk
Kopen
Slide 18 - Tekstslide
Een bijzondere familie
Filips de Stoute
Jan zonder Vrees
Filips de Goede
Karel de Stoute
Maria de Rijke
Filips de Schone (getrouwd met Johanna de Waanzinnige)
Karel V
Slide 19 - Tekstslide
Karel V
Rijk Karel V
Slide 20 - Tekstslide
Duitsland
In Duitsland had de koning weinig macht
Hij werd gekozen worden door hoge edelen en geestelijken
Deze keurvorsten hadden dus eigenlijk meer macht dan de koning
Slide 21 - Tekstslide
Sleep de titels en uitspraken naar de juiste groepen
Geestelijken
Edelen
De paus zal tevreden zijn met mijn keuze
Na mijn dood zal mijn zoon als hertog ook weinig last hebben van de koning
Slide 22 - Sleepvraag
Investituur
Investituur: een plechtige benoeming
Om de macht te vergroten, benoemden Duitse keizers vanaf de 10e eeuw bisschoppen als vazal
Meer trouwer aan de keizer dan de paus en geen gevaar van erfzonen (vanwege het celibaat)
Slide 23 - Tekstslide
Investituurstrijd
Paus en Duitse keizer krijgen ruzie. Wie mag bisschoppen benoemen?
Paus: Ik, want ik ben de baas van de kerk.
Keizer: Ik, want ik ben de baas van het Duitse rijk.
Paus wint, waardoor macht van keizer beperkt blijft.
Slide 24 - Tekstslide
Frankrijk en Engeland
In Frankrijk en Engeland had de koning meer te vertellen
Daar was de titel namelijk erfelijk
Samen met de steden kon de koning leenmannen verslaan
Hierdoor kregen de Franse en Engelse koning meer macht
Dat het koningschap erfelijk was betekent dat de zoon van de koning de nieuwe koning wordt. Hij hoeft dus niet gekozen te worden.
Slide 25 - Tekstslide
Staten-Generaal
De derde stand werd in de steden erg rijk en belangrijk
De koning moest hen soms om advies of geld vragen
Hiervoor riep hij alle standen bij elkaar voor een vergadering
Deze vergadering werd de Staten-Generaal
Staten = standen
Generaal = algemeen
Staten-Generaal = een algemene vergadering van alle standen