Par. 3.2 Water in natte gebieden

Hoofdstuk 3 Water: 3.2 water in natte gebieden
Planning:
Huiswerk nakijken
Uitleg 3.2 met check vragen
Aan de slag

Op tafel: 
Boeken
Snelhechter

Leerdoelen:
  • Je weet wat de gevolgen van een overstroming kunnen zijn.
  • Je kunt uitleggen wat een piekafvoer is en hoe deze ontstaat.
  • Je begrijpt waarom overstromingen in kustgebieden vaker voorkomen.

1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 3 Water: 3.2 water in natte gebieden
Planning:
Huiswerk nakijken
Uitleg 3.2 met check vragen
Aan de slag

Op tafel: 
Boeken
Snelhechter

Leerdoelen:
  • Je weet wat de gevolgen van een overstroming kunnen zijn.
  • Je kunt uitleggen wat een piekafvoer is en hoe deze ontstaat.
  • Je begrijpt waarom overstromingen in kustgebieden vaker voorkomen.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk nakijken
Tijd: 10 minuten.
Hoe: in tweetallen, alleen overleg met de gene naast je
Klaar: Lezen paragraaf 3.2, markeer lastige woorden.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoet water
Zout water

Slide 3 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Korte waterkringloop
Lange waterkringloop
Afstromen
Neerslag
Infiltreren
Verdamping
Condenseren

Slide 4 - Sleepvraag

nu kun je je kennis testen. 
Lees de vraag en kies het juiste antwoord. Het is een meerkeuzevraag!

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan welk water zorgt voor meer verdamping; koud of warm water?

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan of er door klimaat verandering meer warm of koud zeewater zal zijn.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan wat het gevolg is van meer verdamping voor een van de onderdelen uit de waterkringloop. Geef ook aan welk onderdeel.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Moessonregens
  • Moesson; Aanlandige wind met vochtige lucht (veel neerslag), om het halfjaar wisselt de richting.
Halfjaarlijks van richting wisselende wind

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De moesson (regenseizoen)

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De moesson in India
Hoge luchtdruk (dalende lucht), stroomt naar lage luchtdruk (stijgende lucht). Hoge luchtdruk ligt boven zee --> veel verdamping. De wind neemt deze vochtige lucht mee naar lage luchtdruk gebied boven land --> boven land veel neerslag. 
Bij India komt de wolk (moesson) tegen het gebergte aan --> stuwingsneerslag. Veel regen, steile hellingen, weinig infiltratie --> overstromingsrisico. 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Moessonklimaat
Geef aan hoe je hier de moesson in herkent.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan of door klimaatverandering de intensiteit van een Moessonregen toeneemt of afneemt. Geef een argument voor je keuze (2p T1)

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Plaats de luchtdrukgebieden:
Tip: kijk goed naar de windrichting.
Lage luchtdruk
Hoge luchtdruk

Slide 14 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Piekafvoer 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Piekafvoer
Als het waterpeil in een korte periode sterk stijgt, spreek je van een piekafvoer.
piekafvoer is extreem hoge waterstand in een rivier

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Piekafvoer

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Piekafvoer

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lees: langs de rivier blz 109. Geef aan welke oorzaken (3) zorgen voor een verhoogde kans op een piekafvoer in de rivier (R 2p)

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

R/T1 vraag
Piekafvoer
Geen piekafvoer

Slide 20 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk gebied overstroomt sneller?
A
rechts
B
links

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lente
Zomer
Herfst
Winter
Geen duidelijke piekafvoer
T2 vraag.
Geef aan wanneer de soort rivier een piekafvoer heeft (of niet).
Regenrivier
Gemengde rivier
Gletsjerrivier

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies






Orkanen 

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Orkanen

Slide 24 - Tekstslide

Beschrijving:
We spreken van orkanen als ze ontstaan op de Atlantische Oceaan of boven de oostelijke helft van de noordelijke Grote Oceaan. Een tyfoon is feitelijk hetzelfde als een orkaan alleen is de storm dan ontstaan in de westelijke helft van de Grote Oceaan. Op de Indische Oceaan spreken we van cyclonen. 
Voordat een orkaan kan ontstaan moet er eerst aan een aantal voorwaarden worden voldaan:
De temperatuur van het zeewater moet ruim 26 ºC zijn.
De bovenlucht moet een stuk kouder zijn waardoor de atmosfeer onstabiel wordt en de warme lucht kan opstijgen.
De Corioliskracht moet merkbaar zijn zodat er daadwerkelijk een circulatie en een lagedrukgebied ontstaat. Net rond de evenaar is de corioliskracht niet sterk genoeg. De beste ontstaansgebieden zijn zo’n 500 km noord of zuid van de evenaar.
Wat is een orkaan?
Orkaan: zware storm die ontstaat boven zeewater dat minimaal 26,5 graden warm is

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan of door klimaatverandering orkanen vaker voor gaan komen of juist minder. Kies eerst meer of minder en geef daarna een argument voor je keuze. (t2 1p)

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Lees de tekst in je boek op blz 108. Noem enkele gevolgen bij overstromingen.

Slide 27 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Check leerdoel 3: Geef aan waarom overstromingen bij de kust vaker voorkomen.

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag:
Extra uitleg over een onderwerp van vandaag? Schuif je stoel bij het bureau.

Geen extra uitleg? Maak opdracht  1 t/m 6 
Toegestaan: oortjes
Niet toegestaan: overleggen met je buur

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies