Spelling - blok 4 (les 1)

Spelling - blok 4 
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Spelling - blok 4 

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan wij/jullie vandaag doen? 
  • Wij gaan de afspraken en regels bespreken. 
  • Wij gaan de leerdoelen van deze les bespreken. 
  • jullie krijgen uitleg over de theorie van spelling, blok 4.
  • Jullie gaan een samenwerkingsopdracht maken. 
  • Jullie gaan zelfstandig het huiswerk maken. 
  • Controleren van de lesdoelen.

Slide 2 - Tekstslide

Afspraken en regels 
Je bent op tijd in de les!
Telefoon thuis of in de kluis!
Opgeladen Chromebook
1e keer waarschuwing --> 2e keer strafwerk --> 3e keer nablijven
Geen kauwgom of snoep --> nu kan het nog in de prullenbak
Je mag een slokje water drinken, maar vraag eerst even om toestemming --> flesje water zit in je tas.
Als er iemand aan het woord is, zijn jullie stil!
wij letten op ons volume 

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen 
Na deze les: 
  • kun je het meervoud van zelfstandige naamwoorden spellen.

Slide 4 - Tekstslide

Spelling - blok 4 
  • Meervoud van een zelfstandig naamwoord.

Slide 5 - Tekstslide

Meervoud van zelfstandige naamwoorden
Zelfstandige naamwoorden --> Woorden voor mensen, dieren en dingen noem je zelfstandige naamwoorden.
De meeste zelfstandige naamwoorden hebben niet alleen een enkelvoud, maar ook een meervoud. Meestal maak je het meervoud door één van de volgende uitgangen te gebruiken: -(e)n of -s. Je hoort vaak hoe je het meervoud moet schrijven.
tent --> tenten 
lepel --> lepels 


Slide 6 - Tekstslide

Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
  • Meestal plak je een +s of +en achter het woord.
  • Maar let wel op:
      Soms moet je een klinker (a-e-i-o-u) weghalen.
  • een noot - twee noten
  • Soms moet je er een medeklinker (b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, y en z)bij zetten. 
  • een mes   - twee messen



Slide 7 - Tekstslide

Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
  • Woorden die eindigen op ee  krijgen +ën
  • ree     - reeën
  • idee   - ideeën
  • traptree    - traptreeën

Slide 8 - Tekstslide

Als een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud eindigt op -ee, maak je het
meervoud met
A
-een
B
-ën
C
-en
D
eën

Slide 9 - Quizvraag

Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
  • Woorden die eindigen op a - i - o - u - y   krijgen +'s
  • opa  - opa's
  • ski     - ski's
  • accu - accu's
  • hobby - hobby's

Slide 10 - Tekstslide

meervoud van zelfstandige naamwoorden: baby en pasta
A
babys en pastas
B
baby's en pastaas
C
baby's en pasta's
D
babys en pasta's

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het meervoud van het zelfstandig naamwoord :
ski
A
Skiën
B
Ski's

Slide 12 - Quizvraag

Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
  • Een woord dat eindigt op een s, krijgt meestal een z .
  • huis - huizen
  • haas  - hazen

Slide 13 - Tekstslide

Welke van de volgende meervoudsvormen is juist?
A
kies → kiesen
B
kies → kiezen

Slide 14 - Quizvraag

Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
  • Een woord dat eindigt op een f, krijgt meestal een v .
  • erf  - erven

Slide 15 - Tekstslide

Welke zin is correct?
A
De staven zijn van hout.
B
De stafen zijn van hout.

Slide 16 - Quizvraag

Meervoud zelfstandig naamwoord (ZNW)
  • Sommige krijgen +eren
  • kind    - kinderen
  • ei          - eieren
  • blad     -bladeren

Slide 17 - Tekstslide

Wat is het meervoud van het zelfstandig naamwoord: rund
A
rund
B
runds
C
runder
D
runderen

Slide 18 - Quizvraag

Samenwerkingsopdracht 

Slide 19 - Tekstslide

Aan de slag! 
Je gaat van spelling van blok 4 de volgende opdracht maken: 
  • opdracht 4.9 (weet je het nog? - Znw) maken. 
  • Klaar? Dan ga je verder werken aan Numo. 

Slide 20 - Tekstslide

Controleren lesdoelen 
  • Wat heb je vandaag geleerd? --> schrijf dit op je gele post-it
  • Wat heb je (van mij) nodig om de stof
(nog beter) te begrijpen? --> schrijf dit op je roze post-it 

Slide 21 - Tekstslide